De Est Jaan Kross (1920-2007) geldt voor velen als een Nobelprijswaardige schrijver, en de allergrootste uit het Baltische taalgebied. En het recent vertaalde "Tussen drie plagen", dat ik cadeau kreeg van een zeer gewaardeerde collega en dat ik samen met mijn echtgenote las, geldt als zijn magnum opus. Of dat zo is kan ik niet beoordelen, want dit is pas het tweede boek dat ik van Kross las. Maar niet het laatste. Want "Tussen drie plagen" vond ik echt fenomenaal, onuitputtelijk, ongelofelijk spectaculair en intens ontroerend. En volkomen overweldigend, door zijn omvang, maar vooral door de immense rijkdom van al die ruim 1100 pagina's.
In "Tussen drie plagen" volgen we het leven van de Est Balthasar Russow, die overigens echt bestaan heeft, en die leefde van de vroege 16e eeuw tot ongeveer 1600. Tallin, zijn woonplaats, wordt geteisterd door een veelheid van pestepidemieën, oorlogen en hongersnoden, en is tevens - zoals heel Estland- de speelbal van allerlei geopolitieke rivaliteit tussen vooral Rusland, Zweden, Duitsland en Polen. Bovendien zijn er ook de nodige Godsdienstige conflicten: tussen katholieken en Lutheranen, maar ook tussen allerlei elkaar hatende afsplitsingen binnen het Lutherse geloof. En dan zijn er ook nog allerlei spanningen tussen de verschillende klassen: de met elkaar rivaliserende ridders en edellieden, de gegoede burgers, het grauw, de verarmde boerenstand, de clerus. Zeer chaotische tijden, dus, vol van dreiging, ramspoed en ongewisheid, en vol onvoorspelbare verandering ook omdat Estische machthebbers voortdurend van politieke richting veranderen en daarbij de ene keer meebewegen met Zweden, de andere keer met de net nog gehate Russen, en dan weer met de net nog verafschuwde Polen.
In dit uitermate ongewisse decor ontvouwt zich dus het leven en werk van Balthasar Russow. Een uiterst nieuwsgierige, op aanstekelijke wijze naar kennis dorstende jongeman, die zich, ondanks zijn zeer simpele boerenafkomst en daarmee gepaard gaande achterstelling en armoede, opwerkt tot geleerde, tot dominee, en tot kroniekschrijver van zijn tijd. Een avontuurlijk levenspad, dus. En Kross zet dat adembenemend neer: hij laat ons paf staan met spectaculaire beschrijvingen van Balthasars enerverende reis over de bevroren Finse zee, hij verbluft ons met ongehoord enerverende scenes van een bizarre bloedige boerenopstand, en met zijn vlijmscherpe schets van Balthasars even paradoxale als invoelbare beweegredenen om daaraan deel te nemen, en hij blaast ons volkomen omver met nog tientallen andere, uiterst meeslepende en kleurrijke avonturen. "Tussen drie plagen" laat zich daardoor lezen als een briljant geschreven avonturenboek, of zelfs als een geniaal geschreven jongensboek. Het is een daverende pageturner, met een plot die voortdurend verbluft. Maar het is,naar mijn gevoel, tevens een boek vol filosofische diepte: door de vaak bijzonder smakelijk opgeschreven filosofische of theologische disputen waar Russow aan deelneemt, maar vooral door de steeds wanhopiger en vertwijfelder vragen die Russow stelt over de zin van het leven en de dood. Als jongeling voeden de open vragen des levens vooral zijn honger naar kennis, een honger die hem ook ertoe drijft om theoloog te worden en om in een kroniek de waarheid over de Estische geschiedenis vast te leggen. Maar hoe ouder hij wordt, hoe meer hij beseft dat hij, met al zijn theologische kennis, totaal geen antwoord heeft over de vragen naar de zin van alles. En dat God bij al die steeds vertwijfelder vragen steeds ondoorgrondelijker zwijgt. Wat steeds prangender wordt door Russows vele confrontaties met dood, ziekte, verval, zinloosheid en leed: confrontaties die Kross met meesterhand beschrijft.
Kortom, behalve een avonturenboek en een pageturner is "Tussen drie plagen" een boek vol filosofische, religieuze en zelfs existentiële vertwijfeling. Bovendien is het een ongelofelijk levendig portret van een weifelend, soms erg opportunistisch, soms erg wispelturig, en vaak zeer paradoxaal mens: van iemand die handelt vanuit tientallen tegenstrijdige motieven, die hij zelf maar zeer ten dele vermoedt. Die vele tegenstrijdige motieven, van Russow en van vele nevenpersonages, laat Kross prachtig zien: daardoor is "Tussen drie plagen" ook nog eens een heel fraaie psychologische roman. En uiteraard een historische roman die een tijdbeeld neerzet dat je kunt proeven en ruiken, vol scenes waardoor je als lezer bijna denkt dat je in het 16e eeuwse Estland bent. Terwijl "Tussen drie plagen" tegelijk stiekem over het Estland van tijdens en na de tweede wereldoorlog gaat: het modernere Estland, dat weliswaar niet te kampen had met pest, maar wel met dreiging vanuit Duitsland en Rusland. En uiteraard met hypocrisie, met censuur, met enorme druk om niet de waarheid te vertellen maar leugens. Iets wat bijzonder fraai gestalte krijgt in de passages waarin beschreven wordt hoe Balthasar Russow zijn kroniek aanpast, onder druk of door eigen angst. En misschien nog wel fraaier in passages waarin Balthasar niet meer weet wat waarheid is en wat leugen, en of God zijn denken drijft of de duivel. Passages die nog extra imponeren als je bedenkt dat Kross ze schreef in de tijden dat Estland behoorlijk werd geknecht door Brezjnew en consorten. "Tussen drie plagen" is dus ook nog eens, in code, het verhaal van iemand die zoekt naar waarheid en geluk in tijden van repressie, leugen en censuur. Wat Kross heel subtiel heeft gedaan, want de Sovjet-censoren hadden het niet in de gaten. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de lichtvoetige humor en ironie van de verteller, die voor mij ook nog veel aan dit toch al zo rijke boek toevoegt. Al was het maar omdat die ironie zo mooi onderstreept dat alles relatief is, dat alles ijdelheid is, en dat het maar beter is om daarin glimlachend te berusten.
"Tussen drie plagen" is dus meerdere boeken in één. Van veel passages is daardoor op veel verschillende manieren te genieten. Een werkelijk adembenemend beschreven rit per paard over de bevroren Finse zee is allereerst geweldig vanwege zijn ongelofelijk spectaculaire avontuurlijkheid, en de directheid waarmee die immense ijszee je voor ogen wordt getoverd. Maar het is tegelijk ook een mooie metafoor voor het ongewisse avontuur van onze levensreis, en voor de kolkende diepten onder elk ogenschijnlijk onbreekbaar oppervlak. De vele bulderende stormen die Kross beschrijft slepen je helemaal mee door Kross' fel realistische pen, maar het zijn tegelijk heel pregnante beelden voor de stormachtige tijden waarin Balthasar leeft. Kross beschrijft pestslachtoffers zo realistisch dat je hun bulten, koorts en angst bijna lijfelijk ervaart; tegelijk zijn de passages over de pest prachtige allegorische beschrijvingen van onze weerloosheid tegen het redeloze lot. Kross kan een landschap zo tot in detail beschrijven dat je echt denkt het in al zijn verscheiden kleurenpracht voor je te zien; tegelijk is dat dan een treffend beeld voor de rijkdom van de schepping en de veelkleurige stemmingen in Russows gemoed. En ongemeen spectaculair is de beschrijving vroeg in het boek van koorddansers, boven een immens hoge kerktoren, en van de fascinatie daarvoor van de nog piepjonge Balthasar. Retespannend om te lezen, al was het maar door de bijna voelbaar beschreven peilloze leegte onder dat smalle koord. Maar ook een erg fraai en erg rijk beeld. Het is, bijvoorbeeld, een mooi symbool van Balthasars verlangen om op te klimmen uit de gore alledaagse realiteit van Tallin, en met zijn kennis tot in de wolken te reiken. Het is ook een mooi symbool van Balthasars smalle levenspad, zijn levenslange balanceerkunst, zijn steeds moeilijker wordende worsteling met de leegte. En het is een prachtig symbool voor "De blinde menselijke hoop. Hoop die kennelijk maar een strohalm nodig heeft, maar die van zichzelf veel meer is dan een strohalm, die zelf op zijn minst een magische rieten stok is, een balanceerstok met loden ballen vol zorgen aan de uiteinden, waarmee men over het duizelingwekkende wonderkoord van de toren vliegt..... Of is de hoop eigenlijk dat duizelingwekkende koord zelf, waarlangs men tussen leven en dood beweegt, of misschien zelfs wel de koorddanser - de hoop is toch de mens...?"
Ja, die wankele hoop is ook de mens. Die tegen beter weten in balancerende koorddanser, dat is Balthasar Russow. De man die zo aanstekelijk snakte naar kennis, om vervolgens te merken dat de weg van de waarheid maar heel smal is en niet helpt tegen alle ramspoed en leegte. Maar ook de man die, ondanks alles, blijft hopen. En blijft streven naar geluk. En die daarom, ook als oude man, blijft dromen over de koorddansers die hij zag in zijn jeugd. Of over, zoals hij het vaak noemt, het "wonderkoord".
Kortom: wat een boek, mensen. Jammer dat ik het nu, na ruim een maand, eindelijk uit heb. Maar met nagenieten ben ik nog niet klaar. En met Kross denk ik ook niet.