De kranten staan vol van het debat over de relevantie van literatuur. Hoe laten schrijvers ons de wereld zien? Wat is hun taak? En nemen ze die wel serieus? Op een heerlijk eigenzinnige manier gaat Theodore Dalrymple in op het werk van schrijvers als Dostojevski, Burgess, Kerouac en vele anderen. In brede kringen bewonderde grootheden als Tolstoj en Pinter krijgen er stevig van langs. Anderen, zoals Tsjechov en Ionesco, zwaait hij weer lof toe. Dalrymple beschouwt schrijvers als seismografen van maatschappelijke ontwikkelingen en spreekt hen aan op hun verantwoordelijkheid. En het wordt allemaal zo geestig en zo provocatief verwoord dat je hun boeken hierna nooit meer op dezelfde manier zult lezen. Met een inleiding door Jabik Veenbaas.
Anthony Malcolm Daniels, who generally uses the pen name Theodore Dalrymple, is an English writer and retired prison doctor and psychiatrist. He worked in a number of Sub-Saharan African countries as well as in the east end of London. Before his retirement in 2005, he worked in City Hospital, Birmingham and Winson Green Prison in inner-city Birmingham, England.
Daniels is a contributing editor to City Journal, published by the Manhattan Institute, where he is the Dietrich Weismann Fellow. In addition to City Journal, his work has appeared in The British Medical Journal, The Times, The Observer, The Daily Telegraph, The Spectator, The Salisbury Review, National Review, and Axess magasin.
In 2011, Dalrymple received the 2011 Freedom Prize from the Flemish think tank Libera!.
Dalrymple is natuurlijk gekend voor de heldere manier waarop hij vooral de mistoestanden in de Britse samenleving blootlegt en analyseert. Daarbij spreekt hij meestal vanuit persoonlijke ervaring. Met dit boek toont de schrijver ook een brede literaire interesse te hebben. In korte stukjes behandelt hij een divers gamma aan schrijvers: Tolstoj, Koestler, Sir Arthur Conan Doyle,...
Zijn maatschappelijke analyses in zijn ander werk kan ik uitstekend smaken, maar in dit boek is het wat te breed, soms ook te ongefundeerd. Carl Jung en Ezra Pound afkraken vooral omwille van hun 'foute' politieke overtuiging is wat mager. Ibsen en Wilde verkondigden respectievelijk maakbaarheids- en decadente ideeën. Maar oefenden ze politieke of culturele macht uit?
Interessant vond ik de verkeerde interpretatie door het algemene publiek van het boek "The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde" door R.L. Stevenson en het doorprikken van het overhypte "De Profeet" van Kahlil Gibran. Het werk bulkt inderdaad van de gemeenplaatsen en vooral nietszeggendheid.
In lijn met Dalrymple's overtuiging weinig positieve woorden voor de verfilming van "A Clockwork Orange" dat geweld wordt veroordeeld. Maar waarom is Dalrymple zo mild voor een verkrachter als Arthur Koestler?