Johannes Jacobus Voskuil, bekend als schrijver van Bij nader inzien en Het bureau, hield van Frankrijk. De gang van zijn huis in Amsterdam was behangen met kaarten van Frankrijk. En daarop tekende hij dan de wandeltochten in die hij, samen met zijn vrouw ‘L.’, maakte.
Vier van die wandelingen begonnen in Avignon, waaronder die van 1981. In april van dat jaar liepen ‘J.J.’ en ‘L.’ (Lousje Haspers) van Avignon naar Arles. En wij – lezers – lopen dankzij Reisdagboek 1981 met hen mee.
De stemming zit er al meteen lekker in want J.J. is strontverkouden (‘Het water komt met stoten door mijn ogen en neus.’), het eten in de restaurants is ‘abominabel’ (‘boontjes die naar zeep smaken en een biefstuk die meer zeen dan bief bevat’), het humeur van de wandelaars is niet al te best (‘De telefooncel in het dorp is stuk. Dat brengt mij uit mijn humeur. Mij loopt altijd alles tegen.’) en er wordt heel wat af gemopperd en geruzied (‘Ik vind het idioot om daar te gaan zitten. Dat maakt haar boos. Ik word ook boos en zeg dat ze zit te drenzen. Dat maakt haar woedend.’). Na een dikke week en twee koortsaanvallen verder wordt de voetreis – ook tot opluchting van de lezer – voortijdig afgebroken.
Tien dagen later wordt de draad weer opgepakt, nu met een lange wandeltocht in de Provençaalse Alpen, tussen Veynes (ten westen van Gap) en Gordes. Het terrein is daar nog zwaarder, de honden zijn er nog gemener en het humeur wordt nog meer op de proef gesteld. ‘Ik zeg dat ze door moet lopen, terwijl ik de honden van me af probeer te houden. Ze wordt daar heel boos over en loopt een half uur lang achter me te mopperen.’ Na veel bergen en dalen komen onze helden in Gordes aan. Daar zijn ze eerder geweest, in de jaren zestig, toen er nog minder toeristen waren en toen het er aangenamer was. ‘Een beetje triest verlaten we Gordes. De volgende keer zullen wij ook wel dood zijn.’
Wandelen met de Voskuiltjes is dus niet per definitie een feest. Het is natuurlijk wel zo dat het voor de lezer pas echt leuk wordt bij tegenslag: als de dagmarsen te lang zijn, het weer te heet, de bedden te hard, de honden te luidruchtig, de biefstukken te taai en de medereiziger te chagrijnig. Helaas bevat het merendeel van het dagboekje vooral beschrijvingen van de dagetappes, de begroeiing onderweg, de steiltegraad van de hellingen en de steenslag op het pad. Het is leuk om te zien waar de Voskuiltjes zoal hebben gelopen – de routes lijken me prachtig om na te lopen (‘In de voetsporen van J.J. Voskuil’), maar een must read is het Reisdagboek 1981 niet. Eigenlijk vond ik de flaptekst interessanter dan de inhoud van het boek. Daar staat de beknopte info over de vele wandelingen van de schrijver en over de landkaart die hij thuis in Amsterdam had hangen en die hij kennelijk na iedere reis voorzag van nieuwe plakkertjes.