Sandro Veronesi is niet alleen een van de grootste schrijvers van Italië, hij is ook een groot liefhebber van sport. Een god waakt over je is zijn eerste boek volledig gewijd aan deze passie. Maar het is niet zozeer een boek over sport, het is een episch boek over heldendom en geschiedenis. Halfgoden uit de mythologie en grote sportmannen en -vrouwen staan in dit boek zij aan zij met onbekenden die ook stadions en sportvelden betraden. Of het nu om Hawaïaanse surfers gaat, die licht als een vlinder door de golven snijden, Italiaanse en Duitse voetballers tijdens de 'wedstrijd van de eeuw' (WK Mexico, 1970) of atleten uit het Roemenië van Ceauş Sandro Veronesi zoekt de gepassioneerde hoeken van ons geheugen en ons verleden op en vertelt verhalen van glorie en ondergang. Een god waakt over je is een niet te missen ontmoeting, zonder scheidsrechters of overwinnaars, tussen de literatuur en het leven.
Sandro Veronesi (1959) is de belangrijkste Italiaanse schrijver van onze tijd. Hij mocht de Premio Campiello en de Premio Strega in ontvangst nemen, de belangrijkste literaire prijzen van Italië. Zijn werk werd internationaal meermalen bekroond en is in tientallen landen vertaald. In Nederland verschenen van zijn hand onder meer de bestsellers In de ban van mijn vader en Kalme chaos. Voor zijn laatste roman Zeldzame aarden ontving hij in 2016 de Europese Literatuurprijs.
Over In de ban van mijn
'De grootste Italiaanse schrijver van zijn generatie, en van de volgende, en van bijna alle voorafgaande.' Corriere della Sera
Over Kalme
'Hoogstaande literatuur en pageturner tegelijk, wat wil een mens nog meer?' Het Parool
Over Zeldzame
'Een roman die een diepe inkijk geeft in de condition van een hedendaagse man die de nodige houvast zoekt om grote en kleine morele vraagstukken het hoofd te bieden, en zijn schuldgevoelens te trotseren zonder nog verder de leugen te dienen.' De standaard
Sandro Veronesi, born in Florence, Tuscany in 1959, is an Italian novelist, essayist, and journalist. After earning a degree in architecture at the University of Florence, he opted for a writing career in his mid to late twenties. Veronesi published his first book at the age of 25, a collection of poetry (Il resto del cielo, 1984) that has remained his only venture into verse writing. What has followed since includes five novels, three books of essays, one theatrical piece, numerous introductions to novels and collections of essays, interviews, screenplay, and television programs.
Wie de weekendeditie van De Standaard leest, zal misschien ooit een stukje van voetbalcommentator Filip Joos hebben gelezen. Hij combineert een gedegen en doorleefde voetbalkennis met een - vind ik toch - spits taalgevoel, waardoor zijn schrijfsels met kop en schouder het gemiddelde sportartikel overstijgen.
Tijdens het lezen van deze verzameling sportcolumns, vroeg ik me verschillende keren af: 'Zou Filip Joos zich hiermee tevreden kunnen stellen?' Het niveau van 'Een god waakt over je' is namelijk even ongelijk als een Alpenreliëf.
Wanneer Veronesi schrijft over de levensloop van turnster Nadia Comaneci, levert dat een kernachtige en trefzekere omschrijving als 'toen ze in 1989 weer in de openbaarheid verscheen in Amerika ... was haar schoonheid hoekig en agressief geworden zoals die van de escortedames in Oost-Europa, een en al mascara, treurigheid en pantykousen ... De perfectie bezoekt haar niet langer, en haar glimlach zieltoogt op de liefdadigheidsparty's als een zalm die aan het eind van zijn reis is gekomen'. Dit blijft de man die ons de moderne klassieker 'Kalme chaos' schonk.
Ontroerend zijn de passages waarin hij zijn liefde voor Juventus belijdt ('mijn eerste diepe, autonome emotie gericht op iets buiten ons eigen gezin') en de pagina's die de Italiaan hier besteedt aan voetbal bezitten focus en vertelplezier. Hij heeft oog voor voetballers die ondertussen naar de achterkamers van het geheugen zijn verwezen. Zoals Helmuth Duckadem - doelverdediger van Steaua Boekarest - die als beloning voor een goede wedstrijd een Jeep Cherokee ontving en er terug mee reed naar Boekarest. Foute keuze, want de zoon van dictator Ceausescu zag zo'n auto wel zitten en eiste prompt de Amerikaanse 4 x 4 op ('onmiddellijk verdwenen hij en zijn auto uit beeld').
Helaas wou Veronesi zich een liefhebber van alle sporten tonen. Het levert slappe stukken op over motorrijder Valentino Rossi, wielrenner Franco Ballerini en skiër Alberto Tomba. Wanneer hij schrijft over Roger Federer, krijg je het gevoel dat hij in de buurt wil komen van David Foster Wallace (die nogal wat pagina's wijdde aan de Zwitser). De ironie wil dat Veronesi zelf opmerkt dat de verrichtingen van Federer nogal wat 'slechte - ijdele, gekunstelde - pagina's' opleverden. Wat hij vervolgens zelf bevestigt.
Je krijgt niet de indruk dat er veel tijd en aandacht werd besteed aan deze stukjes, ze lezen als broodschrijverij. Interessant voor wie idolaat is van de Italiaan, de liefhebber van het met liefde geschreven sportstuk kan zich nog steeds tot Filip Joos wenden.
De tijd dat sport werd gezien als iets volks, tijdverdrijf waar de ware literator zijn uren of in elk geval zijn kostbare woorden niet aan diende te verspillen, is gelukkig al jaren voorbij. Het leverde tal van overtuigende verhalen en essays op – met Nick Hornby’s bijzonder geslaagde Fever Pitch (1992), een ode aan zijn favoriete voetbalclub Arsenal, als onuitroeibaar hoogtepunt, en met ook binnen Nederland talloze geslaagde voorbeelden van Anna Enquist, P.F. Thomése en Herman Koch. De gelauwerde Italiaanse auteur Sandro Veronesi (1959) – vorig jaar met zijn roman Zeldzame aarden nog winnaar van de Europese Literatuurprijs – schrijft ook al jaren over sport, voor verschillende bladen, kranten en bloemlezingen. Onder de naam Een god waakt over je zijn zijn beste sportstukken nu verzameld. Zo’n bundel wekt al gauw een wat luie, overbodige indruk: waarom, immers, moet alles zo nodig bijeen worden gebracht, wat is de toegevoegde waarde, is het niet vooral de keuze van een handige uitgever? Wellicht, maar in dit geval is het hoe dan ook een aangenaam besluit: Veronesi’s sportstukken zijn van een hoog niveau.
De kracht in deze bundel is de aanstekelijkheid van de taal. Of het nu gaat om wielrennen, basketbal, surfen, turnen of om zijn grote voorliefde voor voetbal, steeds bedient Veronesi zich van dezelfde soort zinnen: bloemrijk, springerig, vol komma’s en adjectieven. Dat past ook bij de opzet van deze bundel. Hoe uiteenlopend de stukken ook zijn – niet alleen qua onderwerp, ook qua lengte: sommige zijn niet langer dan een column, andere beslaan een tiental pagina’s – in zekere zin is het procedé steeds hetzelfde: Veronesi kiest een bekende en regelmatig zelfs wereldberoemde sporter als uitgangspunt. Hij is geen onderzoeker die voorheen onbekende verhalen of figuren naar voren schuift, hij belicht geen vergeten sporters en probeert niet op enige wijze de geschiedenis te herschrijven. Nee, hij zoekt juist mensen die bijna iedereen kent – zijn beste stuk over tennis draait om Roger Federer en diens ongeëvenaarde staat van dienst, als het gaat over voetbal begint Veronesi steeds over Juventus, en de eerste keer dat hij het over boksen heeft, geeft hij een paginalange liefdesverklaring aan Muhammad Ali (‘een held, een profeet, een wraakheilige’).
Die onderwerpkeuze kun je gemakzuchtig noemen, maar het is juist een manier waarop Veronesi zichzelf uitdaagt – immers, wat valt er nog te zeggen over mensen waar al tientallen boeken en duizenden artikelen over verschenen zijn? Volgens mij is het Veronesi daar juist om te doen: onderwerpen en lotgevallen beschrijven die iedere sportliefhebber al kent, en ze alsnog memorabel maken, er woorden voor te gebruiken die bij niemand anders opkomen en waarmee een bepaald personage uit de sportgeschiedenis tot leven komt alsof zijn of haar hoogtijdagen weer volop aan de gang zijn.
Dan lezen we bijvoorbeeld over de roemruchte Italiaanse skiër Alberto Tomba, die vaak werd bekritiseerd vanwege zijn onstuimige privé-leven: ‘In de loop van zijn carrière lieten de mensen geen gelegenheid voorbijgaan om hem aan te vallen met roddels en nieuwtjes over liefdesperikelen, beschuldigingen van arrogantie, geweld, onmatigheid, waardoor het altijd leek of ze net zo lang zouden blijven beuken tot de mythe het uiteindelijk zou begeven.’ Gaat het over het lievelingsgerecht van voormalig doelman Dino Zoff – parmigiano en gegrilde runderfilet – dan gaat Veronesi daar ruim een bladzijde op in: ‘Het meest gehate gerecht van elke sporter (…), dat vond Zoff nou juist het lekkerst. Een antwoord als een dolsteek tussen de ribben van al zijn ploeggenoten (…), omdat het wilde zeggen: “Kijk, vrienden, (…) wat voor jullie een opoffering is, [is] voor mij juist een genot.”’ En wanneer een Inter-speler geen transfer maakt uit trouw voor zijn club is dat omdat hij daar ‘wilde sterven waar hij de longen uit zijn lijf had gerend voor de minder glorieuze werkwoorden van het voetbal, zoals dekken, terugzakken, neerhalen, storen, protesteren’.
Er staan talloze van zulke fraaie formuleringen in Een god waakt over je: origineel, beeldend en vloeiend, steeds met een onmiskenbaar zweem van romantiek. Een tenniswedstrijd bijwonen in het stadion is mooi ‘vanwege die harmonie van geluiden, bewegingen, kleuren en verwachtingen die elk afzonderlijk punt vergezelden, dingen die normaal buiten het tv-beeld vallen maar die de echte, mythische habitat vormen (…)’. Stadions, geuren: allerlei zaken die gewoonlijk bij sportstukken feitelijk en summier worden beschreven, vormen hier regelmatig de kern van een verhaal. Met journalistiek heeft die aanpak weinig te maken – en dat maakt het juist zo levendig. Het is ongegeneerd vereren wat Veronesi doet, nu en dan zelfs verafgoden: sporters die al geprezen zijn worden nog steviger op een voetstuk geplaatst, cruciale doelpunten of belangrijke wedstrijden worden in de meest meeslepende en gedetailleerde bewoordingen uitgeplozen.
Natuurlijk is niet elk stuk van hetzelfde hoge niveau, natuurlijk gaan die fraaie volzinnen af en toe over in onuitstaanbare pedanterie, en natuurlijk zal dit boek niet geschikt zijn voor Veronesi-lezers die helemaal niets met sport hebben. Soms is het ook jammer dat hij wel erg weinig van zichzelf toont en zijn stukken niet van de gewenste langere adem voorziet. Nee, foutloos is Een god waakt over je niet, en binnen het oeuvre van Veronesi is dit wellicht slechts een tussendoortje, maar dan wel een van het beste soort. Want zoals Veronesi bewondert, zo zou je willen dat elke auteur af en toe aan het bewonderen slaat, en vooral: dat elke topsporter van tijd tot tijd bewonderd wordt.
In questo libro ho trovato dei forti significati umani, veicolati dallo sport. Lo sport è indissolubilmente è solamente legato all’umano e questa è la sua bellezza. Giovani in salute e appassionati, questi i protagonisti delle storie. Umanamente non si può chiedere di più: giovinezza, salute e passione. Soprattutto la passione, sì, perché lo sport si ama solo in sé stesso e non ci possono essere secondi fini. La passione sincera verso lo sport permette agli uomini di fare cose grandi e allo stesso tempo di dare un senso alla propria vita. Come recita la frase in quarta di copertina: “io sono nata per vivere quell’ora e mezza”.
Diciamo che è un po' buttato su. Poco organico. Poi diciamo che c'è praticamente solo calcio. E quasi solo Juventus. Che per un non juventino amante dello sport e poco "tifoso" in genere non credo sia proprio il massimo. Occasione semi sprecata.