Dagelijks krijgen we in de media te maken met confronterende statistieken: 'Een op de drie kinderen pleegt delict', 'Aantal autodiefstallen stijgt met 10 procent'. Maar wat is volgens de media een 'delict'? En hoe zit het met de autodiefstallen in de voorgaande jaren?
In Goochelen met getallen laat Hans van Maanen zien hoe misleidend statistieken kunnen zijn. Het boek biedt gereedschap om de stortvloed aan cijfers in het nieuws het hoofd te bieden. Van Maanen gaat hierbij niet over één nacht ijs. De lezer wordt meegesleept in de wondere wereld van de standaardafwijking, de chi-kwadraattoets en de mediaan. Dit is minder ingewikkeld dan het lijkt: de rekenkundige misleidingen worden in Goochelen met getallen steeds op toegankelijke manier verbonden met waargebeurde, vaak hilarische voorbeelden uit de praktijk.
Soms een beetje een langdradig boek, maar voor de geïnteresseerde lezer met beta-inslag toch betrekkelijk meeslepend.
Onderstaande passage uit het boek (pag 126-127) vond ik treffend, en geeft goed de toon van het boek weer:
"Neem nog even plaatje 3.7 uit het yoghurtonderzoek van Danone erbij. Wat geven die balkjes nu precies aan? De dikke punt in het midden is duidelijk, dat zal het gemiddelde, de mediaan of het relatieve risico wel zijn. Maar geven die balkjes de standaardfout van de meting, de standaardafwijking in de populatie, of misschien het bereik van laagste tot hoogste? Of het 95%-betrouwbaarheidsinterval of zelfs het 90%-betrouwbaarheidsinterval? Het zijn de standaardfouten. De standaardfout is altijd een stukje kleiner dan de standaardafwijking (het is immers de standaardafwijking gedeeld door de wortel uit een aantal metingen) en het is voor veel onderzoekers erg verleidelijk om die korte balkjes te gebruiken. Dat oogt een stuk exacter. Hetzelfde probleem doet zich voor met cijfers gepresenteerd als bijvoorbeeld 18 +/-1,4 zonder nadere toelichting. Alweer, die 1,4 kan van alles betekenen, en soms weten onderzoekers zelf ook niet waar al die cijfers precies voor staan."