Schitterend boek over een speciale groep oorlogsslachtoffers, Joodse kinderen die preventief voor deportatie bij een pleeggezin werden ondergebracht. Rauw, pijnlijk, eerlijk, hard maar altijd liefdevol en betrokken geschreven. Lijkt goed geresearcht. Je vraagt je af of de schrijfster ervaringsdeskundige is. Je leest in de stijl een deel van de pijn die de mensen in het boek ondergaan. Een onbekende geschiedenis door een onbekende schrijfster. Op de achterkant staat dat het een bestseller is, maar ik had nog nooit van dit boek gehoord. Waarom kent niet iedereen het; het verdient het.
"Ik heb mijn leven onrechtmatig verkregen. Joost was een echte overlevende, ik niet."
Parnassia is de naam van een strandpaviljoen in Bloemendaal aan Zee. Hoofdpersoon Anneke spreekt er af met haar dochter Sandra, die na het overlijden van Annekes ex, Sandra's vader, aan Anneke vraagt om haar levens verhaal te vertellen.
Rivka is 4 in wo2. Haar vader brengt haar onder bij Zeeuwse mensen die haar als Anneke liefdevol opnemen. Het afscheid is kort beschreven, droog, met ingehouden spanning, precies zoals je je zo'n moment voorstelt. Ook het moment kort na de bevrijding dat de pleegouders van Rivka bericht krijgen dat haar biologische ouders zijn gestorven; ze zijn blij, dat ze Anneke mogen houden... wrang.
Maar haar vader en broer zijn niet dood, ze komen haar opzoeken. Ze schrikt zo dat ze wegrent en ervoor kiest om Anneke te blijven. Instanties vinden dat een Christelijke opvoeding beter ka dan een Joodse (is dat echt zo gegaan?). Als haar vader aan de deur komt, kiest Rivka voor haar pleegouders. Ook later als de vader terugkomt en nog later, als Rivka al volwassen is, haar vader overleden, wijst ze haar broer Simon af.
Rivka ontdekt dat er vrouwen allemaal regels bestaan. Ze mag niet doorleren want ze zou zijn voorbestemd om kinderen te krijgen. Ze leer toch door voor onderwijzeres. Daar blijkt de regel te zijn dat vrouwen worden ontslagen zodra ze moeder worden. Zelfs zwanger moet ze voldoen aan regels: hoeveel kleertjes etc...
Rivka trouwt met Joost, een Joodse man die de kampen overleefde. Met de geboorte van hun dochter verandert de relatie van gepassioneerd en liefdevol naar kil, en verandert Joost in een zwijgende afwezige man. Rivka houdt niet van haar eerste en derde kind, dochters Sandra en Elise; wel van haar tweede, zoon Stijn.
Joost wordt steeds radicaler en wil naar Israël, meevechten tegen de Palestijnen die hij vergelijkt met de Duitsers uit de oorlog. Rivka wil niet mee en Joost maakt haar en alle onderduikkinderen uit voor lafaard.
Joost en Rivka glijden langzaam af in waanzin. Ze verwaarlozen en mishandelen hun kinderen. De buurt heeft alles in de gaten en op een dag worden de kinderen door kinderbescherming uit huis gehaald. Joost krijgt ontslag en gaat naar een inrichting, Rivka/An verhuist naar Amsterdam waar ze gaat werken als onserwijzeres. Haar onderbuurvrouw is schilderes en leert haar van kunst te genieten. Dat is haar leven: werken en met haar vriendin naar exposities gaan. Meer niet. Geen contact met haar kinderen.
Als Rivka gepensioneerd is, ontmoet ze in Kröller-Müller een gewezen ondernemer die na burn-out zijn it-bedrijf verkocht: Jean. Ze worden verliefd en Rivka trekt, nog steeds als An bij Jean in. Jean vermoedt een verhaal maar laat An in haar waarde. Het is het Kol Nidrei van Max Bruch dat haar doet breken.
Dan overlijdt Joost. Of eigenlijk gebeurt dat aan het begin van het verhaal, dat wordt verteld in flash back. Oudste dochter Sandra zoekt Rivka/An op. Die heeft de dagboeken van haar vader uit de oorlog gekregen en gelezen, en wil ook het verhaal van haar moeser kennen. Het verhaal wordt verteld als een serie gesprekken tussen moeder en dochter, waarbij in toenemende mate intimiteit en toenadering tussen die twee ontstaat, ondanks het vroegere misbruik en de jarenlange verwijdering.
Quotes
Wat wist zij van littekens die zo rafelig en ruw bleven dat ze de littekens van de ander openscheurden?
Miskramen had ik moeten krijgen, geen kinderen. Kinderen die troost eisen, aandacht vragen en zorg, die huilen met een doel, een appel waar ik niet aan kon voldoen. Kinderen die opeens kaddisj gaan zeggen. Ik wil ze niet.
Voorlopig laat ik je nog even met rust. Mijn aanwezigheid zou je alleen maar weer in slaap sussen.
Was er een wereld om mij heen geweest? In mijn herinnering is er alleen de gevangenis van mijn gezin.
Hulp. Ik kauw op het woord. Wat had ons kunnen helpen? Wat Joost had meegemaakt, wat er met mij was gebeurd, geen enkele hulp had dat ongedaan kunnen maken.
Na Elises geboorte was ik opgehouden me in te spannen om via de literatuur iets van het leven te begrijpen. De een had pech, de ander geluk. Over dat geluk wilde ik lezen. Hoe gewone mensen erin slaagden gelukkig te worden, ondanks de normale voor- en tegenspoed.
Hoe kon mijn vader na de gruwelijke dingen die hij had gezien nog aanvoelen wat een meisje van acht zelf kan besluiten? Wat wist hij over bekering en indoctrinatie, over vergeten, het enige medicijn tegen heimwee? Tate, je kon het niet weten, maar jij had voor mij moeten beslissen.
Ik heb mijn leven onrechtmatig verkregen. Joost was een echte overlevende, ik niet.
'Waarom zou je ergens bij willen horen? Heeft de geschiedenis niet geleerd dat het heek gevaarlijk kan zijn, zo'n duidelijke identiteit?'
Een motor die je voortdrijft, het leven te kort om te doen wat je denkt te moeten doen. Zij had helemaal geen motor. Zij zat haar leven uit.