Allereerst een sneer naar een andere recensie die ik op het internet tegenkwam: een heerschap dat meende dat het boek “enige virtuositeit mankeerde" na gemeld te hebben dat het "objectief gezien" een hogere score verdiende (hij had het boek slechts twee sterren gegeven). Man, virtuositeit bestaat niet. Iets is goed geschreven of niet en daarmee basta. Als je niet kan formuleren waarom iets slecht is geschreven, dan kan je beter gewoon je sterretjes uitdelen en verder je muil houden in plaats van met betekenisloze superlatieven te gaan gooien.
“Hola, Maarten,” hoor ik de lezer al protesteren, “dat kan je niet zomaar zeggen! Wat maakt iets zogenaamd ‘goed geschreven,’ dan?”
Blij dat je het vraagt.
Ik heb helaas geen kekke formule om de objectieve goedheid van iets te berekenen. Als ik dat wel had, dan was ik vast multimiljonair geworden, of ten minste een stercriticus geweest. Daar ik geen van beiden ben, mogen we stellig concluderen dat ik net als iedereen slechts meningen bezit. Goed, genoeg ijdel gezever, laten we het over het boek hebben.
‘De sandwich’ is op twee manieren goed en op één manier matig geschreven. Het is goed geschreven in de zin dat de taal zelf er in slaagt krachtige sentimenten bij de lezer op te roepen en bulkt van de poëtische waarde, of te wel: de (1) stijl is virtuoos. Het is goed geschreven in de zin dat het een interessante betekenis helder weet over te dragen en de lezer unieke inzichten geeft in de werkwijze van de schrijver, of te wel: de (2) inhoud is sterk. Het is matig geschreven in de zin dat het als roman een bevredigend narratief ontbreekt; het gebrek aan eenheid van tijd, plaats en ruimte werkt desoriënterend en het boek kent geen traditioneel plot; (3) narratief gezien is het matig.
Voor punt 1, de stijl, wil ik graag een concreet voorbeeld uit de tekst aandragen. Lezen is voor mij vooral een geestelijke oefening. Het komt dan ook heel zelden voor dat tekst een fysieke uitwerking op mij heeft. ‘De sandwich’ is hier desondanks wonderwel in geslaagd en wel met die heerlijke sensatie van walging. De passage waarin de schrijver vertelt hoe hij als kind het gestolde menstruatiebloed van zijn moeder opsnoepte (p97), daar hij dacht dat het om rozijnen in plas ging, deed mij fysiek huiveren en haast kokhalzen. Naast schrik (1984, Orwell), schreien (De kleine blonde dood, Büch) is nu dus de walging erbij gekomen als lichamelijke reactie op tekst. Dat vind ik indrukwekkend en het getuigt van een zekere virtuositeit.
Voor punt 2, de inhoud, heb ik hier eigenlijk te weinig schrijfruimte. Heel kort kan ik melden dat de schrijver de dood, het rouwproces en herinneringen als illustraties voor het schrijverschap gebruikt. Het ‘hiernamaals’ is volgens van der Heijden een plicht van de overledenen om een narratief te smeden van geleefde levens. In de wereld van verhalen zijn de doden aanwezigen dan de levenden: de feiten van hun bestaan liggen ten grabbel, klaar om gebruikt te worden in een narratief, terwijl de levenden alsmaar met nieuwe feiten komen en met hun eigen verleden lopen te knoeien door herinneringen tot verhalen te kneden. Dit ‘vaster’ en ‘solider’ worden door
de dood is een terugkerend motief; zoals het lichaam verstijft door rigor mortis wordt het personage in de wereld van verhalen steviger. Het verleden is een schimmenrijk, waar de doden solide zijn en regeren over levende fantomen.
Ik zal nog wat uit de tekst citeren om mijn punt te illustreren, zodat jullie niet denken dat ik alles zomaar uit mijn duim zuig:
“Als ik een herinnering uit mijn repertoire maar vaak genoeg afdraaide, begon vanzelf na verloop van tijd de franje te slijten. Het voorval verloor zijn uitlopers in andere geschiedenissen, werd steeds meer een geheel, steeds meer een scène in een enkele oogopslag tot in al z'n details te overzien.
Bovendien verwierf zo'n talloze malen opgeroepen gebeurtenis, zonder dat de feiten noemenswaard geweld werd aangedaan, een betekenis die boven het feitelijke kwam te hangen. Particuliere herinneringen veranderden zo, buiten mijn wil om, in kleine allegorieën." (99-100)
"Voor wie zich later, om wat voor reden dan ook, aan verhalende proza waagt, is het natuurlijk verleidelijk de eerste aanzetten daartoe in dat betekenisgevend herkauwen van herinneringen te zoeken." (101) [...] "[dit] leek op wat de dood met iemands voorbije leven doet: ordenen, bijslijpen, betekenis geven. [...] een keten van versteende voorvallen."
“Het dagelijkse leven kent zo’n wildgroei van symboliek, dat en romanschrijver die incidenteel de werkelijkheid als model neemt meer werkkracht besteedt aan het verdelgen van schadelijke dan aan het platen van vruchtbare symbolen.”
Schijven als het redacteren van herinneringen om hieruit een betekenisvolle allegorie te destilleren. Ja, dat is mooi, dat is fraai; ik zie wel waarom A.F.TH van der Heijden als grote auteur geldt.
Punt 3, het narratief, is nauw verwant aan punt 2. Naar wat ik begrijp is het boek een gedachteoefening om twee vrienden die elkaar nooit in het bijzijn van de schrijven hebben getroffen in één scène te stoppen. Het opdissen van herinneringen, doorbroken door een “heden” wat lukraak springt door de tijd (gelukkig wel één richting uit) gebeurt volstrekt achronologisch en slaagt er niet in een krachtig biografisch beeld van de twee vrienden te schetsen. De personages ondergaan geen noemenswaardige ontwikkelingen en ook het rouwproces van de ik-persoon - daar waar de roman op de oppervlakte over gaat - kent geen bevredigende afsluiting.
Tijd om sterren uit te delen. Hier volgt mijn faalvrije formule:
Stijl 2
Inhoud 2
Narratief -1
Dit is mijn uitspraak en hier moet u het maar mee doen.