In 1983 voltooide Leo Pleysier een autobiografisch drieluik, bestaande uit de delen De razernij der winderige dagen, De weg naar Kralingen en Kop in kas. Waar was ik weer? bevat de drie delen tezamen. In het eerste gedeelte staat het kind centraal, in het tweede de vader, in het slotdeel de moeder. Maar constante factor in deze drie vertellingen is de hoofdpersoon, de schrijver zelf. Hij is zijn milieu ontgroeid, maar heeft zijn geboortestreek nooit verlaten. De schrijver overziet zijn bestaan en onderwerpt het aan een kritisch onderzoek.
Autobiografische overpeinzingen van een Turnhoutse schrijver die zijn milieu is ontstegen en een inventaris aanlegt van de sporen die zijn afkomst als boerenzoon in hebben nagelaten. Een poging om op afkomst, klasse en schrijven te verenigen. Literatuur over klassemigratie, die in gesprek gaat met het werk van Louis Paul Boon. Maar anders dan Boon is Pleysier niet meer thuis.
Voor mijn gesprek met Leo Pleysier op zaterdag 5 april (bib van Ieper, 10u) blijf ik me verwonderend door zijn werk bewegen. Hoe is hij vanuit dit drieluik van zijn vroegste boeken tot Wit is altijd schoon gekomen bijvoorbeeld? Ik noteer drie zaken die ik met hem wil bespreken: 1. Dit is een duidelijk voorbeeld van schrijven als zelfonderzoek, in de traditie van Daniël Robberechts (maar ik moest ook recenter aan Édouard Louis denken, omdat het bij beiden gaat over loskomen van een milieu en over de spanning tussen stad en platteland). Hoe is de omslag er gekomen van obsessief naar zichzelf kijken naar zichzelf als een vlieg op de muur beschouwen en de ik-persoon slechts een cameorol te gunnen in zijn vijf boeken in Familiealbum? 2. Pleysier schrijft heel zintuiglijk. Het eerste boek bijvoorbeeld, De weg naar Kralingen 1860-1980, opent met tien keer dezelfde scène beschrijven met telkens een ander accent. Maar ook elders is er een grote drang naar het detail. In zijn babbelromans, waar ook zijn recentste Klokgelui onder valt, beperkt hij zich dan tot dat ene zintuig, het gehoor. Hoe kwam hij daartoe? 3. Ook houdt Pleysier van opsommingen. In het derde boek Kop in kas vertelt hij een anekdote die wellicht verklaart waarom hij die koppig blijft toepassen als schrijftechniek. Ik ga hier niet verklappen welke, maar ik hoop dat hij die anekdote uit zijn schooltijd wel eens wil vertellen in ons gesprek.
Verder vind ik het ook wel spannend worden, want hij portretteert zichzelf als een zwijgzaam iemand. Gelukkig is er een rijk oeuvre om over te praten.
Waar was ik weer? verzamelt drie titels van Pleysier: De razernij der winderige dagen, De weg naar Kralingen en Kop in kas. Ze dateren van voor zijn doorbraak met Wit is altijd schoon. Is het de moeite waard om dit 'uit de vergetelheid te lezen'? Ja. Het terugblikken op een jeugd op het Vlaamse platteland, het afstand nemen van de ouders...we hebben het allemaal al zo vaak gelezen, maar Pleysier verwoordt het allemaal op een bijzondere manier. Hij heeft veel aandacht voor de vorm, de taal. Vooral na de lectuur van de eerste twee delen, vraag ik me af waarom het experimentele zo goed als helemaal uit onze/de literatuur verdwenen is. (JLV)