Openhartig dagboek dat uitmondt in een autobiografische roman
Dit boek van Benno Barnard bundelt het journaal ‘Bladzijden van een brillenjood’ en de roman ‘Afscheid van de handkus’. Voorvallen, herinneringen en ontmoetingen uit het dagboek vinden hun weg naar de roman, vaak zonder dat de schrijver zich daar ten volle van bewust is. Het anagram van een hedendaags dagboek, in Engeland bijgehouden, blijkt een verloren gewaande wereld in Midden-Europa te zijn.
Met zijn meesterlijke pen laat Benno Barnard zien dat fictie en non-fictie onlosmakelijk verbonden zijn.
Benno Barnard woont in het gehucht Brede in Sussex. Je kan er met Google Streetview eens rondlopen. Dat werkt ondersteunend bij de lectuur van “Afscheid van de handkus”, dat enerzijds de titel is van het boek, maar anderzijds ook de titel van de roman in het boek, die minder dan 120 bladzijden van de 450 beslaat. De eerste 340 bladzijden zijn “Bladzijden van een brillenjood”, het dagboek van Barnard van ongeveer midden 2019 tot het begin van 2022.
In zijn zestiende-eeuwse huis leest hij boeken en errond maakt hij wandelingen met vrouw, hond, dorpsgenoten en de occasionele bezoeker. Voor zover mogelijk in pandemische tijden reist hij af en toe. Hij herinnert zich ook dingen uit het nabije en verdere verleden. Zijn Amerikaanse vrouw komt aan bod, de briljante zoon van de trotse vader, die ook uitstekend kan voetballen, de bij een auto-ongeluk omgekomen dochter ook.
Benno Barnard gaat ter Anglicaanse kerke, steekt wel eens een kaars aan en zingt mee psalmen. “Liever God dan psychologen; Hij helpt ook niet maar heeft betere muziek en schilderijen in de wachtkamer”.
Het voordeel van dagboekschrijven is dat de schrijver niet over een structuur moet nadenken. Elke dag gebeurt er iets, denkt men iets, leest men iets, voelt men iets en men schrijft dat op. Bij goede dagboekschrijvers volgt dan wel een soort thematische coherentie en een visie die doorheen alles naar voren komt en de boel bijeenhoudt. Misschien is dat meer de verdienste van de denker in de schrijver dan van de schrijver zelf. Maar wat zeker de verdienste is van de schrijver is de stijl. Goede dagboeken zijn in een goede stijl geschreven: met woordzorg, aandacht voor helderheid, beeldspraak, vleugje ironie, wat humor, maar ook authentieke boosheid, …
Zo schrijft Barnard zijn dagboek. Als een nieuwe Montaigne in zijn toren wil hij zijn lectuur vervolledigen en reserveert hij elke dag wat uren om de Groten te lezen. Gewapend met die groeiende kennis van dat soort canon van westerse literatoren gaat hij het nu te lijf, maar ook de herinnering. Sinds ik wat in Proust ben beginnen lezen, zie ik overal Recherche. Ook Barnard heeft onder het bureau van zijn vader gezeten in de troostende aanwezigheid van zijn broekspijpen, als een kleine Elias van Maurice Gilliams. Maar Proust zelf daar heeft Barnard het minder op begrepen: te langdradig en droog detaillistisch. “Maar neen, Benno”, wou ik zeggen, “dat is grappig! Je ziet de humor niet”. Maar ik heb het niet gedaan, want ik besefte op tijd dat hij dat waarschijnlijk niet zou appreciëren dat een wildvreemde hem zo maar bij zijn voornaam aanspreekt. Ik wou geen verbale pandoering.
Zoals die arme “Vulnerable People Officer” van zijn energiemaatschappij, die hem had aangeschreven om te zien of er iets kon gedaan worden aan zijn energieverbruik in moeilijke tijden. Benno Barnard is dan zo iemand die die Vulnerable People Officer daadwerkelijk opbelt en het hem flink moeilijk maakt. Is hij dan vulnerable of zo?
Ik geef maar wat anekdotiek uit het boek mee om te proberen duidelijk maken waar een lezer zich mag aan verwachten: badineren tussen persoonlijke familiegeschiedenis, maatschappelijke beschouwingen, historische, filosofische, theologische en literaire inzichten. Niets zwaar op de hand en in een spitse taal vol associatie en beeldspraak, steeds treffend, nooit gekunsteld.
Na het dagboek komt de korte roman, “Afscheid van de handkus”. We krijgen opnieuw een recherche. Deze keer is het een Jood uit Oxford, Nathan Raab, die meer wil weten over waar hij vandaan komt. Hij onderneemt samen met zijn vader een reis naar Subotica in Servië, een typische plek in de Balkan, die ook ooit Hongarije was en dus deel van Oostenrijk Hongarije. Het verhaal van de twee Raabs op zoek naar materiële restanten van hun voorouders in dit oord van nationalistische spanningen en pogroms. Maar ook op zoek naar sporen van het oude Europa van Musil en Zweig. Er zit wat plotspanning in middels een soort poging tot oplichting met een zogezegde brief die Gavrilo Princip (u weet wel de man die Franz Ferdinand doodschoot in Sarajevo) in gevangenschap zou geschreven hebben. Onderwijl krijgt de lezer een beetje geschiedenisles over die vervolgen tijd van Keizerin Sissi en het keizer-koninkrijk Kakanië.
Maar waarom een dagboek en een roman in één boekband?
Het is niet de eerste keer dat een schrijver op de proppen komt met een “gevonden” of “gekregen” tekst. Maar het is bij mijn weten de eerste keer dat zo een roman, voorafgegaan wordt door een dagboek, waaruit fragmenten, woordwendingen, gebeurtenissen nadien ook in de roman voorkomen.
Hoeveel kans is er dat dit een zin is die Nathan Raab schreef, mijmerend over de Donau: “Er kwam een veelkleurig verlichte discoboot langsvaren, waarop Madonna met een seksueel getint lied Servische jongeren hielp globaliseren”. Heerlijk, maar wel volbloed Barnard.
Het lijkt me een mooi thesisonderwerp om eens systematisch te beschrijven hoe de “Wahrheit” uit het dagboek als “Dichtung” in de roman terechtkwam.
Volgens mij vond Barnard het prettiger om over zijn reizen naar Midden-Europa te vertellen vermomd als een Engelse Jood met een brilletje dan gewoon als Benno Barnard. Die copyright vermelding is onderdeel van de fictie.
'Afscheid van de handkus' ontleent zijn naam aan de werktitel van het proefschrift waarmee Nathan Raab hoopt te promoveren als historicus. Hij wil de herkomst en evolutie van deze ooit als galant beschouwde manier om juffers en dames te begroeten onder de loep nemen. Ook hoopt hij om de evolutie van deze bijzondere omgangsvorm te kunnen koppelen aan een ruimer Europees verhaal dat van de Balkan over Oostenrijk-Hongarije tot Engeland leidt. Een kapstok dus van Benno Barnard om het te hebben over het Avondland, diens geschiedenis, complex weefwerk van culturen en de plaats van het jodendom in dat alles.
De 300 pagina's tellende prelude op de novelle is een 'literair journaal' (de woorden van de auteur of uitgever). Hier volgen we Barnards gedachtegang van dag tot dag. Soms, vaak zelfs, worden deze gekoppeld aan de kleine gebeurtenissen en handelingen die in 2020-2021 toegelaten waren (de coronajaren). In een vrij barokke taal gaat het hier over wandelingen in het Engelse platteland met de honden die dan weer leiden tot bespiegelingen over literatuur, geschiedenis, familie, geloof... Als denker is Barnard niet voor één gat te vangen: hij is onverholen conservatief en christelijk, noemt de Europese cultuur superieur, maar voelt zich niet te goed om Proust saai te vinden en beschrijft hoe ellendig hij het vindt dat je er bij het lezen van Dostojevski steeds een namenlijst bij moet nemen. Hij houdt van voetbal (zijn zoon speelt het spel niet onaardig, zo blijkt) en je zal hem niet betrappen op gratuit cynisme of geweeklaag dat het vroeger allemaal beter was.
Het boek (het journaal dan vooral) liet zich gezapig lezen, tussen twee andere romans door een pagina of 50 om het dan weer voor lange tijd ongeopend te laten. Dat op zich is niet bepaald een teken van grootsheid, maar dat je er toch telkens weer naar grijpt, geeft aan dat ‘Afscheid van de handkus’ voldoende prikkelt en inspireert.
Verhaal in dagboekvorm. Zeer mooie proza. Je kunt het boek even wegleggen en nadien onmiddellijk de draad terug oppikken zonder dat dit afbreuk doet aan het dagboekverhaal. Warm aanbevolen.
Dagboekaantekeningen van de auteur die zich heeft teruggetrokken in het Engelse Sussex en nostalgisch mijmert over zijn eigen jeugd, het verlies van Midden-Europa en van zijn jonge dochter én een roman in één boek. Op zich al een merkwaardige aanpak. Het wordt nog beter wanneer non-fictie (dagboek) en fictie (de roman "Afscheid van de handkus") verstrengeld raken in elkaar. Dezelfde zinnen duiken in beide op en de auteur wijst ons erop dat het literaire dagboek toch niet altijd 100 procent waarheidsgetrouw moet zijn. Bovendien bevat zijn roman een inleiding, waarin staat dat het gewoon een vertaling is van een bestaan manuscript (en dus eigenlijk geen roman van Barnard). Al is de vraag of dit wel klopt. Een mooi gestileerd boek om de fictie van non-fictie en de non-fictie van fictie aan te tonen, als u nog volgt.
De via een jarenlange tussenstop in Vlaanderen naar Sussex geretireerde Benno Barnard heeft in Brede Near Rye, waar hij een historisch huis bewoont dat de postbode herkent aan de naam en niet aan een nummer, een dagboek bijgehouden, als eerder. ‘Bladzijden van een brillenjood’, heeft het dagboek, en ‘Afscheid van de handkus’ heet het geheel, naar de titel van de korte roman die achter het dagboek is opgenomen. Een dagboek dat vol staat met de weerslag van Barnards drukbewoonde geheugen en geest, en waar dan ook de belangrijkste medebewoners van zijn ziel als vanzelf doorheen schemeren: zijn tijdens in Amerika opgedoken blonde vrouwe, zijn naar Amerika uitgevlogen zoon en een uit Amerika teruggehaalde overleden dochter, nog maar een handvol jaren geleden begraven naast de Anglicaanse kerk waar de schrijver ondertussen tegenover woont. Deze laatste situatie geeft het dagboek haar ontroerende en vaak hartverscheurende ondertoon van voorbij en verlies, waar de schrijver dan herinneringen en overtuigingen tegenover zet, strijdbaar en stilistisch superieur. Want zolang de volmaakte vorm van de herinnering levend gehouden wordt, en een onwaarschijnlijke hoop goed geformuleerd uitgesproken wordt, al is het dan in een half vervallen en slecht bezochte Anglicaanse kerk in Sussex, is er wellicht nog toekomst. Voor schrijver, en dan misschien ook voor zijn favoriete werelddeel, Europa. Daarnaast is het dagboek natuurlijk onwaarschijnlijk belezen en regelmatig grappig, zoals wanneer een lokale en ietwat snobistische vriend voor het voetlicht verschijnt: ‘John heeft een vriend met wie hij latijn spreekt, hij is een Orator Didacticus, [..] zelf ben ik meer een ouwehoer’ Dat laatste is misschien een risico als een ander zo een dagboek schrijft, maar het is een risico waar Barnard al een paar dagboeken lang bewust en deskundig omheen manoeuvreert: ‘Dagboek van een Landjonker’, uit 2013, ‘Zingen en creperen’, uit 2019, en nu deze uitgave. Men dient in de dagboekvorm de lezer te verstrooien en deelgenoot van goede gedachten te maken – ‘Maar waarom zou de wetenschap wel recht hebben op de verlichting en het geloof niet?’ – en tegelijk wordt het, want het is een dagboek, nooit gepresenteerd als een samenhangend betoog. Barnard heeft in dit boek de opeenvolging van ogenschijnlijk fragmentarische ontboezemingen en herinneringen verfijnd tot een manier om zijn wereldbeeld onnadrukkelijk en overtuigend met de lezer te delen. Want deze dagboekvorm, die de schrijver de gelegenheid biedt zijn persoonlijk denken onverdund bij de lezer naar binnen te gieten, ligt Barnard gelukkig dus heel goed, en het betoog wordt dan haast als vanzelf zichtbaar. Een betoog dat hij leeft en schrijft: boeken doen ertoe, de Europese diversiteit en verfijning zijn de moeite waard, het Christendom is na al haar ongelukkige triomfantalisme nog altijd het met verbeeldingskracht te nuttigen tonicum tegen de leegte - en de herinnering, de vriendschap en de liefde zijn heilig. Dit meest recente deel van de dagboeken is misschien wel het beste werk, dat Barnard geschreven heeft, schijnbaar onnadrukkelijk en moeiteloos wordt de lezer dit bloedrood gekafte boek door aan de hand genomen. Richting het slotakkoord. * Want dan, van bladzijde 343 tot aan 459, als het dagboek uit is, volgt de Roman, Afscheid van de Handkus, door Nathan Raab. ‘De roman is een anagram van het dagboek’, tekent Barnard op, uit de mond van zijn zoon, in het dagboek, en het is wel te volgen waarom die dat zei: vooral in het begin van de novelle, zoals de herinneringen aan broekspijpen onder een vaderlijk bureau, zijn flarden tekst herkenbaar uit het zojuist gelezen dagboek gelicht. En de obsessies van Nathan Raab, zijn gespannen bewondering voor zijn vader, de sfeer van boeken, geschiedenis en alle langskomende in volzinnen sprekende hoofdrolspeler, het is niet nieuw voor wie de tijdens de Corona-jaren geschreven dagboeken van Barnard net gelezen heeft. Tegelijk: het is vooral een precies gecomponeerd verhaal, met een donkerrood hart, met diverse verdiepingen en afslagen in de plot, en met een verrassing, als in de beste kinderboeken. Het is een verhaal, dat de lezer misschien wel mee terugneemt de ruimte van het dagboek in, maar dan aan de hand van een vertelling, los van de feitelijkheid, waar dus meer geloof bij komt kijken. En ook een paar stappen mee terug de tijd in, in een poging, er alsnog iets van te begrijpen. Het geheel wordt in de Europeesche geest van Umberto Ecco ingeleid met de geschiedenis van een handschrift – er had nog ‘natuurlijk, een manuscript’ boven mogen staan – en verder komen de moordenaar van de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije, de geschiedenis van een Joodse scheikundeleraar, de bloedrode steen om iemands nek gehangen – die kennen we uit het dagboek - en een romance met een Russische schoonmaakster langs. De honderdzestien bladzijden die de schrijver maar voor zijn relaas heeft betekenen wel een hoge dichtheid, zowel qua taal als qua ideeën en formuleringen: men houdt de indruk dat als de novelle op zichzelf in een mooi dieprood linnen bandje gepubliceerd was, het verhaal los van het dagboek een ander leven had kunnen gaan leiden. De integratie met het dagboek betekent allicht een opdracht aan de lezer: ja, het is een intense novelle, volgend op een droef en geestig geschreven dagboek, en tegelijk, hoe zouden we met de eigen soms moeizame geschiedenis moeten leven, in dit daar gebombardeerde en elders door nieuwbouw overwoekerde openluchtmuseum dat Europa af en toe lijkt? Uiteindelijk zal een verhaal het verschil maken.
Ik houd van literaire dagboeken en ‘journals’ van auteurs die op een intieme manier hun leven en tijd optekenen. Zo sleuren de dagboeken van Klaus Mann - zoon van – me in de ontheemding en onzekerheid van de jaren dertig van de vorige eeuw. Op de reis door diens tragische leven ontmoet je bovendien de tragische fauna van Duitstalige ballingen-literatuur.
Benno Barnards Afscheid van een handkus is zo’n ‘journal’ en tegelijk helemaal anders. Het is een boek over afscheid moeten nemen: van je doodgereden kind, van het oude, van het op volksverheffing gerichte Europa, de wereld van je jeugd. Nog meer is het een boek over géén afscheid willen nemen. In zijn ‘handkus’ roept Barnard in zijn onnavolgbare eigen stijl - soms bijzonder poëtisch, soms erg baldadig - op wat hij mist, zoals ‘de vulpennen en potloden, het houten kistje met de blikjes schoensmeer, de met boeken opgevulde holte waar in andere huizen de televisie stond, de tafelgesprekken, de omgangsvormen…’. Niet voor niets is de Habsburgse jood Joseph Roth en diens Radetzkymars, die zwanenzang van de stervende Oostenrijks-Hongaarse meertalige dubbelmonarchie een van Barnards favoriete schrijvers/romans.
Verwacht u vooral geen gemoedelijk Proustiaans kabbelend egodocument van een dichter en prozaschrijver die zich teruggetrokken heeft in Zuid-Engelse Britse Brede, een tijdloze gouw tussen pub en parochiekerk. Barnards boek zindert van opstandigheid tegen deze door ego-marketing en prikkelbombardementen opgejaagde tijd, tegen de hypocrisie van politieke correctheid of therapeutendom die Barnard een nieuwe religie lijken. ‘(…) geef mij maar God. Werkt ook niet, maar heeft tenminste muziek en schilderijen in zijn praktijkruimte.’ Soms lijkt de ‘handkus’ een eenmansguerrilla tegen de hedendaagse waanzin. ‘De crisis van het Westen… De westerse mens kan blaten of grappen maken naar hartenlust, die crisis is onoplosbaar zolang hij zichzelf niet meer begrijpt.’’
Afscheid van een handkus valt echter onmogelijk in één gat te vangen. Het eerste deel, ‘Bladzijden van een brillenjood’, is immers géén psychologisch onthullend ‘journal’. Barnard gebruikt brokjes realiteit als (al)chemische elementen waarmee hij nieuwe verbindingen onderzoekt. Dit leidt op organische wijze tot het tweede deel van het boek: de korte roman ‘Afscheid van de handkus’, waarin vele elementen uit het ‘journal’ opnieuw opduiken, zij het gespiegeld in een Joodse edelsteen uit het woelige grensstadje Subotica, onder meer vereeuwigd door de geniale Hongaarse auteur Dezső Kosztolányi.
Het gaat Barnard om het creëren van een nieuwe wereld, de existentiële cartografie van een verscheurde schrijver, vader, minnaar & mopperaar. Barnard zet daartoe alle literaire middelen in die te zijner beschikking staan. En dat zijn er vele. Het meeslepende taalspel maakt dit boek meer dan lichtjes verslavend. Soms doet het me denken aan de tiendelige Journal brut van Ivo Michiels. Ivo Michiels vertrok vanuit jeugdervaringen, de oorlog, zijn emigratie uit Vlaanderen, de mensen en boeken die aan hem bleven kleven… Door die onder te dompelen in het bad van de taal en hybride vormen, riep hij diepere mysteries op: de ongerijmde poëzie van het bestaan, van de aanwezigheid van de aflijvigen. Dat alles en niet minder is de inzet van Afscheid van de handkus.
'Weinig mensen kunnen zo goed giftig zijn als u' zegt iemand op pagina zoveel tegen Barnard, een bewering waardoor ik boven het boek hangend een volmondig ja knik. In dagboekstijl passeren tal van onderwerpen,vaak stelt hij verwonderend vast, gaat alles en iedereen vlotjes voor de bijl... De wereld en gedachten die zich aandienen worden verkend, (ten dele) in ere hersteld, misschien geprezen of toch nog een laatste vraag of kanttekening bij geplaatst...Kritisch tussen de spot door. Serieus is hij natuurlijk ook. Erudiet. Poëtisch.Je leert bij, wordt gepord om na te denken. Barnard fungeert als een dierbare horzel op ons luie paard. Het boek meandert geheel op zijn welgekneed intellect, relativerend sarcasme en welbespraaktheid. Net als zijn vader is hij een heerlijk dwarsliggende en bijwijlen zeer grappige mopperaar met een hoog aaibaarheidsgehalte. (de bijtgrage beverversie, niet de panda)
Wat een mooi boek. Nostalgisch, vol opvattingen die weliswaar niet courant, maar daarom niet minder interessant en waar zijn. Heel vaak kan ik instemmen met zowel het sentiment als met de opvattingen van Barnard. Zijn heimwee naar een tijd waarin lieden nog hun plaats kenden is herkenbaar. Het verdriet over de dood van pleegdochter Anna is schrijnend en ontroerend. Over vader- en ouderschap schrijft Barnard heel mooi. Zijn boeken, ook dit, zijn een sieraad voor iedere huisbibliotheek.
Het journaal vond ik spits, erudiet, mooi, ... De 'roman' daarentegen was een afknapper. Bij de beoordeling liet ik die buiten beschouwing (of toch niet: 3 x 1 = 3).
Wat een boek! En eigenlijk is het er niet één, maar zijn het er twee. Het eerste en meest omvangrijke deel – Bladzijden van een brillenjood geheten – is een soort journaal en het tweede – Afscheid van de handkus geheten – is het debuut van Barnard als romanschrijver. Tussen beide delen zitten overigens nogal wat linken, reden waarom ze vermoedelijk in één band verschijnen. Vooral van het journaal was ik onder de indruk: de taalrijkdom, de humor, de elegant verpakte zeurderigheid, … elk fragment, elke zin is een plezier om lezen. Ook de roman is sterk, maar daar zit de rijkelijke, vaak wat protserige taal van Barnard het verhaal soms wat in de weg en dreigt hij af en toe wat pedant over te komen. Dat komt deels omdat in de roman het oh zo noodzakelijk tegengewicht van de humor grotendeels ontbreekt. Dat ik deze uitgave dan toch met vijf sterren bekroon, heeft volledig te maken met dat 341 bladzijden tellende sublieme eerste deel. Ik vermoed dat ik daar nog vaak ga naar teruggrijpen. Ik kijk nu al uit naar een vervolg.