De weg van het hart, oorspronkelijk in 2017 in het Frans verschenen (Le chemin du coeur), is de biografie die Charles Wright wijdde aan Dom André Louf (1929-2010). André, geboren als Jacques Louf, trad op zeventienjarige leeftijd in bij de trappisten van de Katsberg (Mont des Cats), werd in 1963 abt, speelde een belangrijke rol bij de doorvoering van Vaticanum II binnen het monastieke leven, en eindigde zijn dagen als kluizenaar in het Zuid-Franse Simiane-Collongue. Wright schetst niet alleen zijn levensloop, maar biedt ook een blik in de geestelijke diepte van een van de bekendste Westerse monniken van de twintigste eeuw, wiens uitstraling reikte tot ver in het Oosten.
Het voorwoord, getiteld Schilder van de innerlijkheid, laat zien hoe Wright in zijn eigen zoektocht door Louf werd geïnspireerd. Tijdens een jaar van intensief onderzoek – het lezen van diens geschriften, raadplegen van archieven, bekijken van computerbestanden en voeren van gesprekken – werd Louf voor hem “een gids in de woestijn van mijn bestaan” (p. 9). Wright noemt dit boek “de vrucht van een langdurige omgang met deze grote spirituele figuur van het Westen” (p. 10). Wie leest, treft geen droge opsomming van feiten, maar ontmoet een geestelijk leraar die geen “kamertheoloog” was (hoewel intellectueel zeer goed onderlegd), maar een “fenomenoloog van het geestelijk leven” (p. 12).
De biografie telt zeventien hoofdstukken. Ze opent met Kindertijd en jeugdjaren van een contemplatief, waarin Loufs traditionele katholieke opvoeding wordt geschetst, en eindigt met De kluizenaar van Sint-Lioba, over zijn laatste jaren en overlijden. Daartussen ontvouwt zich een rijk en afwisselend leven: intrede en noviciaat, studies in Rome tijdens een theologisch bewogen tijd, een jaar van boete na voortijdig vertrek uit de stad, en zijn werk als hoofdredacteur van Collectanea Cisterciensia.
Zijn abbatiaat (1963-1997) was een sleutelperiode. Louf moest zijn gemeenschap door de hervormingen van Vaticanum II leiden. Het aggiornamento vroeg om herbronning, waarbij trouw aan het persoonlijk gebed voor hem vooropstond, maar ook: “Minder kwantiteit ten voordele van grotere kwaliteit” (p. 99). Bepaalde liturgische praktijken verdwenen, terwijl andere – zoals het sacrum silentium tussen de psalmen – werden hersteld.
Naast zijn abdij had hij als pater immediatus ook verantwoordelijkheden voor dochtergemeenschappen, onderhield hij intensief contact met de orthodoxie en werd hij gezien als “het orakel van de trappistenorde”. Hoewel hij in aanmerking kwam voor het hoogste ambt van abt-generaal, verliep de verkiezing anders en werd hij het niet.
Een rode draad in Loufs vroege leven was de spanning tussen contemplatief verlangen en pastorale uitstraling. In zijn eerste monastieke jaren (1947-1954) verlangde hij naar een pastorale rol. Na zijn geloften, studie in Rome en redactie voor het tijdschrift, verschuift dit en verlangt hij naar het leven als een kluizenaar, waarbij hij zelfs heel serieus een overstap naar de kartuizers overweegt. De verkiezing tot abt doorkruiste zijn plannen om kluizenaar te worden. Hij aanvaardde de roeping om de gemeenschap door een periode van vernieuwing te loodsen. Daarbij legde hij de nadruk op innerlijke kwaliteit boven uiterlijke vormen, en begeleidde hij zijn monniken in een verdieping van hun gebedsleven.
Na ruim dertig jaar trad Louf in 1997 af. Hij verliet tersluiks de abdij tijdens de conventsmis, waarover de huidige abt zegt: “Dit heeft de communauteit heel diep gekwetst” (p. 223), hoewel hij zich ook beseft dat Louf het waarschijnlijk niet aankon om vaarwel te zeggen. Na enkele omzwervingen vond hij in 1998 een vaste woonplek in een eenvoudig huisje op het terrein van de benedictinessenabdij Sint-Lioba in Simiane-Collongue (Zuid-Frankrijk). Hier verwezenlijkte hij zijn kluizenaarsdroom die hij vanwege het abbatiaat tientallen jaren heeft moeten uitstellen: een leven van gebed, dat qua vorm uitgebreid was (urenlange nachtwakes), maar qua inhoud steeds eenvoudiger en tot het essentiële herleid werd. Ook zijn spreker werd eenvoudiger: korter, eenvoudiger en mooier. Volgens Louf waren deze jaren waarin op zijn oude dag een jeugddroom werd gerealiseerd de gelukkigste van zijn leven. In 2010 overleed hij in de ziekenboeg van de Katsberg, met de woorden: “Christus, Christus, Christus” (p. 243).
Loufs levensverhaal leert dat het monastieke pad niet draait om menselijke volmaaktheid door plichtsbetrachting, eigen kracht of edelmoedigheid – zaken die in zijn katholieke jeugd erg belangrijk waren –, maar om het toelaten van goddelijke genade in de gebrokenheid van het menselijk leven. Een centrale ervaring is de contritio cordis – de ‘vermorzeling van het hart’ – waarbij de hoogmoed wordt verbrijzeld. De gelovige ontdekt “dat Gods kracht zich in het hart van zijn ellende ontvouwt” (p. 119). Dit moest André Louf leren door eigen ervaringen, terwijl schrijvers uit de woestijntraditie hem op dit pad hebben gezet. Vervolgens kon hij als abt, geestelijk begeleider en schrijver anderen helpen op deze geestelijke weg.
De weg van het hart is een diepgravende biografie die de lezer laat kennismaken met zowel de uiterlijke loopbaan als het innerlijke leven van André Louf. Wright levert een biografisch zeer kundige en complete beschrijving, die niet alleen de feiten zorgvuldig weergeeft, maar ook eerlijk ingaat op Loufs innerlijke processen van twijfel en zoeken. Bij herlezing heb ik er opnieuw veel inspiratie uit geput. Wie deze fenomenoloog van het innerlijk leven en kroniekschrijver van de genade wil leren kennen, moet dit boek beslist lezen, idealiter in combinatie met De innerlijke mens (2023).