Dag Jos,
September was een beetje jouw maand. Grotendeels zelfs. Door zes van je boeken heb ik me gewerkt. Gewerkt klinkt als een straf. Dat is het niet. Waarom zou ik mezelf straffen? Goed, af en toe ploeg ik me door erbarmelijkheden, maar daar valt wat van te leren, voor mijn schrijfleerlingen, voor mezelf. Ook jouw zestal heeft me iets bijgebracht: nederigheid. Sta me toe dat te verklaren.
Pas vier jaar geleden schoof je voor het eerst in mijn schoot. Het gevaar blies me meteen omver. Met tussenpozen zaagden De vijand en De muur de poten onder mijn leeszetel weg. Vergeet ik nog Copernicus of de bloemen van het geluk. Na die twee romans, die verhalen- en die dichtbundel nu dus één grote gulp Vandeloo: Een mannetje uit Polen. De week van de kapiteins. De coladrinkers. Vrouwen. De 10 minuten van Stanislao Olo. Les Hollandais sont là.
Overdosis zou je denken. Mooi niet. Goed, in oktober wordt het eens wat anders, maar dat komt alleen maar door het simpele feit dat ik nu door mijn voorraad Vandeloo heen ben. Gelukkig, er valt nog veel werk van je op de kop te tikken. Het zal me niet verbazen als ik ook bij dat andere werk nederig blijf. Nederig omwille van je veelzijdigheid. Bestaat er een genre waarin jij niet uitblonk? In het eenlettergreepgedicht had je me vast ook overtroefd.
Ach, wat smulde ik van elk kortverhaal, van het filmverhaal, van de novelle, van de twee televisiespelen. Het kan niet anders of ik duw mijn schrijfleerlingen uit dat rijke aanbod iets onder ogen. Van de meesters valt het meeste te leren. Deze maand zou je honderd zijn geworden. Er werd aan je gedacht. Je werd gelezen. Je zal worden gelezen.
goede groet, David