Over homoseksuele necrofilie en ander opmerkelijk diergedrag
Op een mooie dag vloog een eend zich dood tegen de glazen gevel van een natuurhistorisch museum. Gealarmeerd door de harde klap keek conservator Kees Moeliker uit het raam: voor zijn ogen werd de versdode woerd langdurig verkracht" door een andere mannetjeseend. Voor de droog-wetenschappelijke publicatie over dit eerste geval van homoseksuele necrofilie bij de wilde eend ontving hij de Ig Nobelprijs, voor onderzoek dat je eerst aan het lachen maakt en daarna aan het denken zet". Met een zelfde gevoel voor humor en publiciteit haalde hij de wereldpers met zijn oproep om - voor het te laat is - met uitsterven bedreigde schaamluizen aan het museum te schenken.
In dit boek vertelt de eendenman" de verhalen achter de eend en de schaamluis, en put hij uit zijn rijke archief van ander onwaarschijnlijk onderzoek en nog meer opmerkelijke waarnemingen, waaronder die van een transseksuele fazant, kraaien die raamslachtoffers onthoofden en een merel die al vier jaar bijna niets anders doet dan tegen het raam vliegen. Een fascinerend boek, met vreemde vogels in de hoofdrol.
Wie als bioloog een boek publiceert dat bol staat van geslachtelijkheid en geslachtsleven, van geslachtskenmerken en geslachtsdelen, riskeert het natuurlijk te worden afgeserveerd als een lullig schrijvertje of, wanneer de auteur in beginsel is aangesteld om zijn tijd te besteden aan het hoeden van de collectie van een natuurhistorisch museum, als een kloteconservator. Dat verdient hij allerminst, Kees Moeliker (1960), die later overigens zelfs nog directeur zou worden van Het Natuurhistorisch (zonder Museum, tegenwoordig) in Rotterdam. Teleurstellend is wel dat zelfs de man die de hoed en de rand weet van onder meer de kloten van de mus, de al te lange roede van een ezel en de wokkelvormige penis van de wilde eend, ernstig in de fout gaat door de vulva van de vrouwelijke homo sapiens te betitelen als vagina (p. 140, alsof dat één pot nat is). Dat mag evenwel geen reden zijn om Moeliker dan maar te trakteren op een kutrecensie. Maar nou alle onder-de-gordelse gekheid op een stokje, ik heb boven verwachting genoten van het lezen van “De eendenman”. Het boek gaat over, zoals de ondertitel vermeldt, ‘opmerkelijk diergedrag’, en bevat een vijftiental hoofdstukken te dier zake. Op de eerste twee na hebben die allemaal een of meer specifieke dieren of diersoorten tot onderwerp. In hoofdstuk 2 daarentegen wordt weliswaar de eendenman besproken, maar met die benaming wordt niet gedoeld op een mannelijke eend, een woerd, doch op de auteur zelf. Uiteengezet wordt wat er zoal op Moeliker afkwam nadat hij vanuit zijn kantoor een geval van homoseksuele necrofilie bij de wilde eend had waargenomen en daarover had gepubliceerd. Het verslag omtrent een en ander is vermakelijk, maar de schrijver plaatst zichzelf wel enigszins ongegeneerd in de schijnwerpers. Daar staat dan weer tegenover dat hij op meerdere plaatsen in het boek royaal getuigt van zijn erkentelijkheid en waardering jegens zijn belangrijkste kompaan in de natuurlijke historie, Erwin Kompanje (in welke discipline deze actief was of nog steeds is als preparateur van vooral vogels voor de collectie van ‘Moelikers’ museum). Centraal in het hoofdstuk waarmee, afgezien van een ‘Woord vooraf’, “De eendenman” opent staat de casuïstiek van de, overigens geenszins uitsluitend homoseksuele, necrofilie die aan de wieg heeft gestaan van de grote bekendheid die Kees Moeliker nationaal en ook internationaal heeft verworven. Dit is meteen ook het verreweg langste hoofdstuk, en eigenlijk het enige waarbij ik op een gegeven moment dacht: nou geloof ik het verder wel. Even leerzaam en grappig, maar over het algemeen een stuk bondiger zijn de meeste stukken die men als lezer daarna zoal krijgt voorgeschoteld, met als een van de smakelijkste krenten in de pap ‘Help, de schaamluis verdwijnt’. En dan vormen ook nog eens talrijke afbeeldingen, maar dat geldt voor het hele boek, een substantiële bijdrage aan de tekst. Wat in aanzienlijke mate het plezier bevordert dat men als lezer aan “De eendenman” kan ontlenen, is de humoristische wijze waarop de schrijver het allemaal onder woorden weet te brengen. En de enthousiaste manier waarop hij dat doet mag bovendien stijlvol worden genoemd. Kees Moeliker schrijft zonder meer vlot en prettig leesbaar. Een enkel punt van kritiek wil ik evenwel kwijt, en dat betreft –opnieuw, maar nu in overdrachtelijke zin– de moeite die de auteur soms blijkt te hebben met geslachtelijke aangelegenheden. Hij mag dan alleszins interessante zaken te berde brengen op het stuk van de verkleuring of het verdwijnen van het verenkleed bij fazanten en eenden, zelf maakt hij zich schuldig door mee te doen met een akelige verharing – die van onze taal, wel te verstaan. Zo laat hij met betrekking tot een mannelijke mus met de naam Clarence weten dat, anders dan ‘zijn levensverhaal’, ‘haar’ stoffelijke resten niet bewaard zouden zijn gebleven, en ook een museum als waar de schrijver werkzaam is treft af en toe een haar in de soep. Kom op Kees, richt je blik als je actief bent met pen of toetsenbord wat secuurder op het geslacht. Slechts waar je het over iets vrouwelijks hebt is haar gepast, mannelijke en onzijdige zaken dienen haarloos te zijn en te blijven.
Ooit opgedoken in de winkel van het natuurhistorisch museum te Rotterdam. Kees Moelieker heeft een grappige wat sarcastische manier van schrijven maar heeft duidelijk wel kennis van zaken. Interessant en vermakelijk om te lezen wat voor bijzondere trucs de natuur soms uithaalt. Mijn voorkeur ging vooral uit naar de verhalen over de gevallen waarbij we gauw neigen te denken dat dit soort ‘keuzes’ alleen door de mens gemaakt worden, maar die bij dieren in de natuur ook voor blijken te komen