Subliem intieme en stijlvolle roman over volwassen worden, verbeelding, vriendschap, schoonheid en kunst in de vermomming van een verhaal over vriendschap en ontluikende liefdesrelatie tussen twee eenzame jongens. In een mooie eigen, theatrale, stijl geschreven, waardoor dit boek minstens evenveel gaat over schrijven dan over het verhaal. Vijf vette sterren, bij gebrek aan zes ;)
Aantekeningen voor mezelf gemaakt. Één grote spoiler.
“En je schrijven zou niet zijn zoals vroeger, geen naïeve fraaiheden meer, je schrijven zou verankerd zijn in de werkelijkheid.”
“Ach ja, we moeten misschien niet te veel gewicht toekennen aan onze omgeving, het is allemaal maar decor voor de verschrikking die in ons hart leeft.”
“Hij zou zoveel gedaan kunnen krijgen als hij zich niet steeds zo liet afleiden door zijn gevoel (…).”
“Kun je iets over de liefde zeggen aan de hand van een liefde, of zullen we een beetje moeten valsspelen?”
“Elke keer hetzelfde liedje: na het eerste glas werd je spraakzaam, na het tweede ontspannen, en na het derde hing je jezelf alweer de keel uit. Dan begon je je vrolijkheid te wantrouwen en kwam je je wanstaltig voor. Dan trok Wouter zich stilletjes terug, en ‘s ochtends bekroop hem het gevoel dat hij verraad had gepleegd.”
“Je bleef het (schrijven, red.) desondanks nog enige tijd proberen, maar alles wat je schreef was de volgende dag alweer bedorven; vervelend, kitscherig, saai, zinloos, ronduit dom. Misschien huiver je daarom bij de gedachte aan een gedicht. Je bent misschien bang met je slechte stijl dat te vernietigen wat je zo mooi vind.”
’Theatrale’ stijl
Theater loopt als een rode draad door het verhaal. Het boek is opgebouwd uit drie akten plus naspel. Wouter, één van de twee hoofdpersonen speelt theater en kan zich vooral daar in kwijt. Tobias heeft schrijftalent. En dan is er de stijl van Esser die regelmatig doet denken aan regie-aanwijzingen. Esser wisselt eenvoudig van perspectief, van ik naar jij naar wij, van Wouter naar Tobias naar de verteller, alsof hij zijn personages vertelt wat de bedoeling is, hoe ze de scene moeten begrijpen en spelen. Als lezer verlies je snel en vaak het oog op wie precies de verteller is, en volgens mij is dat precies de bedoeling van Esser. Het is “een vrolijke verwarring”, waarover later meer. Verrassend genoeg werken die wisselingen, je raakt als lezer niet de draad kwijt, wat je misschien wel verwacht als je dit leest. Net zoals Esser wisselt van perspectief, doet hij dat ook met ritme: sommige stukken zijn aaneengeregen korte zinnen, in andere schrijft hij zinnen die hele alinea’s zijn. Volgens mij beantwoordt Esser de vraag naar wat dat allemaal betekent met dat theater, zelf op deze manier: “Er rommelt iets in de lucht. Is het de hand van god, de toneelmeester, de grote inspiciënt die we bezig horen daarboven?” “Even tussendoor: zijn auteur en acteur niet altijd tot op zekere hoogte één? Omdat de schrijver bij haar werk zelf de zinnen spreekt die zij haar personages in de mond legt. Ze speelt kortom voor acteur terwijl zij schrijft. En een actrice speelt op het toneel net zo goed de rol van schrijver, want in elke zin van het personage zit de adem van de auteur. Ja, de schrijver speelt voor acteur en de acteur speelt voor schrijver en deze eeuwige wisselwerking tussen de twee gezichten, van de schepper en de vertolker, de kluizenaar en de clown, de monnik en de hoer, is een proces dat in alle mensen ook intern plaatsvindt. Niemand is ooit één van de twee.”
Eenvoudig verhaal over vriendschap
Het verhaal is betrekkelijk eenvoudig: Wouter en Tobias zijn vrienden in de leeftijd van begin twintig. “Dan weer zag hij er heel jong uit, dan weer heel volwassen, dan verlegen, dromerig, ernstig, droevig zelfs, en dan wanneer hij een praatje met de kelder maakte, opeens sociaal, uitbundig, zelfverzekerd.” Jongens in hun transitie van kind naar volwassene. Tobias is de schijnbaar stevige van de twee, “(…) met zijn stoppels en zijn vanzelfsprekende innerlijke kracht.” Die “zogenaamde standvastigheid” heeft hij zich op het internaat aangeleerd. Zelf vindt hij “Dat Wouter je meerdere was in nagenoeg alles behalve in jaren.” Tobias’ moeder is onlangs overleden, waar hij nog kapot van is. Tobias is zich erg bewust van het verlies van kind-zijn; hij merkt dat hij de geestdriftige verwondering van het kind kwijtraakt. “Wie zou het verbazen dat de noodzaak om te schrijven sinds de dood van je moeder had afgedaan.” De vriendschap tussen Wouter en Tobias lijkt zich te ontwikkelen tot een liefdesrelatie. “Maar wat ben ik blij ze weer samen in een zin te zien staan, de onsuccesvolle slaapkamerliterator en de schuwe reserveacteur.” “En waar komt zo’n kalverliefde eigenlijk vandaan?” Beide zijn wat onthechte zielen, Wouter is schuchter, verlegen, met een grote verbeelding die hij vooral in theater kwijt kan (al op jonge leeftijd getuigde hij van een groot inlevingsvermogen door op de lagere school in een toneelstuk echt te gaan huilen in plaats van te doen alsof - docenten spreken de ouders erop aan dat hij het té serieus had genomen. Een jongen die als kind al als ‘anders’ werd ervaren door zijn grote gevoeligheid en verbeeldingskracht. Tobias heeft beide ouders verloren. Hij heeft het appartement in Hamburg waar hij met zijn langstlevende ouder, zijn moeder, woonde verkocht en leeft nu in een soort ‘tussenwereld’ tussen huis-verkocht en nog-geen-ander-huis-gevonden in. Tobias en Wouter voelen zich wat verloren in de wereld. “Je fantasie was vol van alle avonturen die het leven je beloofde maar vooralsnog verborgen hield. Ze was altijd vol beweging en dus vol schoonheid. Maar toch was ze eindig. En op een dag liet een eenzaamheid zich niet meer zo eenvoudig afschudden. En ook de verveling bleef hangen.” Als ze over liefde praten, zegt Tobias: “Soms wou ik dat ze me wat beter was voorgedaan, zei Tobias. Zoals jouw ouders van elkaar houden, zichtbaar, met zoveel lichtvoetigheid, zo innig en vanzelfsprekend. Zoals ze elkaar kort aanraken, zoals ze met een zeker plezier kibbelen, zoals ze elkaar kennen en vertrouwen. Als ik zulke ouders had gehad, dan zou ik misschien weten dat ik aanleg voor de liefde bezat. Dat er een bepaald talent in mij aanwezig was.”
Vriendschap
Esser beschrijft de twee jongemannen met voldoende overlap om zichzelf in de ander te herkennen, en voldoende verschil om geïnteresseerd te raken in de ander. Hij doet in het hele boek voor wat vriendschap is, natuurlijk, maar laat de jongens er ook over praten. Tobias: “Hij wilde misschien zeggen: iemand die mij, in zijn beste momenten, met zijn geestdrift en vrolijkheid weet aan te steken, en wiens woede en verdriet mij, in zijn slechtste momenten, niet doen wankelen of vluchten, iemand wiens gevoelens mij kortom geen angst aanjagen. Maar dit zei hij niet, omdat hij bang was dat Wouter het verkeerd zou kunnen opvatten, als een opdracht. Hij haalde zijn schouders op.” Hier praten-over en voordoen tegelijkertijd - meesterlijk. Wouter: “Ik vind het iets ingewikkelds, zei Wouter. Ik wil altijd vrienden zijn met mensen die beter zijn dan ik, maar waarom zouden zij vrienden willen zijn met mij?” Wouter en Tobias raken elkaar op onverwachte momenten dwars door hun pantsers en wapenuitrusting heen, op gevoelig plekken aan. Zoals wanneer Wouter onbevangen aan Tobias vraagt of hij zijn moeder erg mist, en de stoere Tobias volschiet omdat niemand hem dat ooit vraagt. Hij wil zijn vrienden vertellen over Wouter: “Als ze eens wisten welke uitwerking die jongen op hem had. Zijn aanwezigheid, zijn blik… Alles wat hij deed en zei maakte Tobias week.” Verliefdheid, denken we dan, en ook: dat gaat voorbij en dan begint het ergeren - dán zal blijken hoe sterk de onderliggende vriendschap is.
De verbeelding van De Rover
Wouter leest De Rover van Robert Walser. Als Esser met zijn precieze stijl dit detail opneemt in zijn boek, dan moet het een belangrijke verwijzing zijn, denk je als lezer. Van horen zeggen begrijp ik dat De Rover gaat over twee kanten van iemand, de ‘gewone’ en de ‘gefingeerde’ of ‘geïdealiseerde’ kant. De rover is het alter ego van de schrijver die durft en kan wat de auteur zelf niet durft en kan. De toon van het boek is schijnbaar opzichtig maar met een ondertoon van melancholie en verlangen. Net als onze hoofdpersonen Wouter en Tobias? Net als hun schrijver? We weten het niet. Tobias vraag of het een leuk boek is, waarop Wouter antwoordt: “Ik geloof van wel, al is het soms een beetje verwarrend, omdat je vaak niet weet wie er aan het woord is: de schrijver of het personage. Maar het is een vrolijke verwarring.” Dat is precies zoals Esser zijn boek ook heeft geschreven. Op de omslag van het boek van Walser staat een tekening: “Die heeft zijn broer Karl gemaakt. Het is de schrijver toen hij 15 was, verkleed als struikrover. Je lijkt op hem… Oh ja? We verkleden ons te weinig, vind je niet, als we volwassen zijn; of te veel… Ben ik dan volwassen vraag je je stilletjes af, maar we geven je geen tijd om daar over na te denken.” Volwassen worden als theater, of als verandering van spel, van acteren, met het leven als het theater - dit is volgens mij het belangrijkste thema van dit boek. Gelijk daarna: “Aan de overkant van de straat wordt het oud papier opgehaald. Een container bungelt boven een vuilniswagen. Een beeld dat niet in een roman thuishoort, stelt Tobias met enige teleurstelling vast.” - thema twee van dit boek: schrijven, literatuur als een selectie van beelden uit de werkelijkheid, en als ambacht om die te vangen in schrijven, in een stijl. Als de vuilnisbak opengaat komt er geen rommel uit, maar versnipperd papier. Allemaal papiersnippers dwarrelen gedragen door de wind over straat. Kinderen rennen ze lachend achterna. Kijk, en dat is dus wél een beeld dat in literatuur thuishoort. Esser laat het ons meesterlijk zien, zonder commentaar want dat is overbodig - show don’t tell. “Wouter en Tobias aanschouwen dit prachtige kattenkwaad vanaf hun terrasje. Dit had ik nooit kunnen bedenken, zegt Tobias. Ik ook niet, zegt Wouter, maar ik had het misschien kunnen dromen, en dan is het best mogelijk dat ik hier zit en dat zie gebeuren, en tegelijk ook een van die kinderen ben. Gelukkig maar dat onze fantasie klein is, zegt Tobias, zo hebben we het voorrecht vaak getuige te zijn van dingen die ons voorstellingsvermogen te boven gaan.”
Schoonheid en kunst
Esser beschrijft de schoonheid van hoe een kat loopt. En gelijk daarna: “Maar als we aan de Lange Reihe op een terrasje zitten en naar de mensen kijken… Soms is er zoveel schoonheid dat je bijna gek wordt. Zoals Stenhal wanneer hij voor het eerst Florence bezoekt. En ik ben een keer flauwgevallen in de Mezquita. Ja, mensen zijn soms net als paleizen, maar veel beweeglijker. Hier op straat zijn alle passanten perfecte toneelspelers, zolang ze het niet weten. Alleen een dier kan zich op die manier over het podium bewegen, maar een goed acteur komt in de buurt.” “We liepen door de stad als door een Galerie.” “Zoals de schepping van een kunstwerk waarschijnlijk half spel, half arbeid is, zo hoop ik ook dat het beschouwen ervan niet alleen een kwestie van ingespannen duiding, maar vooral van spel mag zijn. Ik wens niet de genialiteit van de kunstenaar te doorgronden, want ik twijfel aan alle vormen van genialiteit, ik hoop juist in het voorbijgaan kort te worden aangeraakt door de expressie van een geest of een lichaam dat ik nog niet ken, of nog niet zo kende, en daar vervolgens mee te mogen doen wat ik wil.” In een museum kijken Wouter en Tobias naar een videokunstwerk en beleven en duiden een geheel andere ervaring. Als de films is afgelopen begint Wouter de muziek te zingen en zegt Tobias dat hij honger heeft. Tobias, de schrijver van de twee: “als je (Tobias, red.) ooit weer zou schrijven dan zou het schrijven een neerslag van het leven moeten zijn, geworteld in de werkelijkheid.” “In nagenoeg alle vakgebieden is de autonomie ingeruild voor een vorm van prostitutie. Ik zie een wereld vol met trechters. Wanneer je je ergens op besluit toe te leggen weet je: vanaf nu wordt het pad alleen maar nauwer.”
Rouw, twijfel en spijt
Esser laat ons zien dat de verbeelding die hij in dit boek ophemelt ook pijnlijk kan zijn. Elke acteur keert terug naar de werkelijkheid, zoals de rover die zijn verkleedkleren aflegt en in werkelijkheid een bangerik blijkt te zijn. Dat moeten kille momenten zijn voor acteurs. “Voor wie zo jong in de pen is geklommen en hoog van de toren heeft geblazen, moet de afdaling in de werkelijkheid wel een pijnlijke en beschamende aangelegenheid zijn. Met een gevoel van teleurstelling raken je voeten weer op de grond en voorlopig kijk je niet meer omhoog. (…). En het gevoel waarmee je achterbleef was dat van liefdesverdriet. Verdriet om het verlies van een leven dat niet het jouwe was, dat je ook alweer vreemd en onbeduidend voorkwam. Er was alleen een doffe rouw om de voldoening die dat domme valse leven je altijd had gegeven. En de pen lag opeens zwaar in je hand. Het was een dolk geworden; een vijandig instrument. De punt wees naar je borst.” Ook de rouw in de liefde komt langs, specifiek tussen jongens. Bij Tobias het genot van het begin, de teleurstelling van de doorwerking en van het loslaten omdat de ander voor alle anderen niet wilde weten homoseksueel te zijn. Bij Wouter twijfel en spijt: “Mijn twijfel is al lang een alternatief voor het leven. Ik twijfel gewoon tot alles te laat is. Ik heb me ook al verzoend met de spijt daarover. Het is een kwestie van gewoonte. Nu komt de spijt al voordat ik mijn kansen hebt verspeeld. Ik zie een kans, ik ontwikkel een plan, en ik ben nog maar net begonnen met twijfelen of hup, daar is de spijt al.”
Panfilo
Panfilo is de naam die Tobias verzint voor zijn masker, voor zijn publieke persona. “Hij die alles liefheeft.”