Nu ik ruim tien boekjes uit deze reeks – waarbij een auteur telkens een wandeling centraal stelt – heb gelezen, valt me op dat de uitgaves die me best bevallen, net diegenen zijn waarbij de schrijver van dienst zich niet teveel uitslooft in het uitputtend beschrijven van de landschappen waar hij of zij doorheen stapt. Vaak zijn het de zijwegen die bij het vertellen worden ingeslagen of het verhaal waarin de wandelingen worden ingebed die de boeiendste vertelstof opleveren. Maartje Wortel ging wellicht meest vrij om met haar opdracht en net aan dat boekje (De Groef) bewaar ik de beste herinneringen.
Jacques Vriens hield zich een stuk strikter aan het format, maar gelukkig diept hij onderweg de nodige anekdotes en geschiedkundige weetje op. Sommige daarvan zijn te particulier om echt interessant te zijn, maar alles bij elkaar is dit een aangenaam lezend verhaal. Bovendien kreeg ik zin om de streek waarover hij schrijft ook eens te verkennen.