Jump to ratings and reviews
Rate this book

Capitulatie: Dagboeken 1955-1965

Rate this book
In Capitulatie vlucht Voskuil na het opgeven van zijn kweekschoolbaan in Groningen terug naar Amsterdam in de overtuiging afzijdig van de maatschappij te kunnen leven. Weldra ziet hij onder ogen dat zijn onmaatschappelijkheid uit trots kinderspel en lafheid is. Hij accepteert een pretentieloze baan bij het Bureau. Naast het stompzinnige werk op het Bureau blijft hij onvermoeibaar schrijven, niet alleen dagboek, maar ook aan de manuscripten van Bij nader inzien en Binnen de huid. Ondertussen kotst hij van het Bureau, figuurlijk en letterlijk, overweegt ontslag te nemen, maar uiteindelijk ziet hij geen alternatief. In Capitulatie sleept Voskuil de lezer mee met ontluisterende anekdotes, academische gossip en steeds hardere en langer durende echtelijke botsingen, uitmondend in een zelfontmanteling zonder weerga en schetst hij een niets en niemand ontziend portret van de culturele en intellectuele naoorlogse hoofdstedelijke elite. Bijna een man, het eerste dagboekdeel, was nog incompleet als gevolg van de door Voskuil toegepaste zelfcensuur en door de schaar van Lousje Voskuil-Haspers, die alles wat haar niet zinde uit het typoscript van haar man knipte. Capitulatie daarentegen volgt Voskuils tekst op de voet. Alle ruzies en anderszins netelige passages zijn hersteld met behulp van de hiervoor door Voskuil bewaarde dagboekschriften.

784 pages, Hardcover

Published February 23, 2023

8 people are currently reading
27 people want to read

About the author

J.J. Voskuil

42 books60 followers
J.J. (Johan Jacob / Han) Voskuil (1926–2008) publiceerde in 1963 de 1207 pagina's tellende roman Bij nader inzien. Het boek, dat zowel een roman van een generatie als een psychologische roman is, gaat over een groep vrienden, studenten Nederlands in de periode 1946–1953, die een aantal jaren samen optrekken en in de traditie van Du Perron en Ter Braak discussiëren over leven, literatuur en politiek. Aan het eind van de roman moet de hoofdpersoon Maarten Koning, Voskuils alter ego, erkennen dat de vriendschap die er leek te zijn, niet meer dan een illusie was. Bij nader inzien werd in 1991 door Frans Weisz verfilmd voor de VPRO. De serie werd met drie gouden kalveren bekroond.

In 1996 keerden Voskuil en Maarten Koning terug in de kolossale roman Het Bureau die in totaal zeven delen telt: Meneer Beerta, Vuile handen, Plankton, Het A.P. Beerta-Instituut, En ook weemoedigheid, Afgang, De dood van Maarten Koning. De roman beschrijft het leven van Maarten Koning als medewerker van het Bureau: het Amsterdamse Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Kern van de roman is de vraag hoe mensen die dag in dag uit met elkaar moeten samenwerken zich tot elkaar verhouden.

In 2002 verscheen Requiem voor een vriend, waarin Voskuil voor het eerst zijn alter ego Maarten Koning loslaat. De hoofdpersoon van het boek is niet de schrijver zelf, maar Jan Breugelman. Het boek is een geschiedenis van een vriendschap, die haar oorsprong vindt op de middelbare school, vorm krijgt op de universiteit en in de jaren daarna steeds hechter wordt. In februari 2004 verscheen het eerste deel van de Voettochten: Terloops. Het bevat tien verslagen in dagboekvorm van wandelingen door Frankrijk. Het tweede deel, Buiten schot verscheen in 2005, en het derde en laatste deel, Gaandeweg, is in de zomer van 2006 verschenen. In maart 2007 verscheen Onder andere, een verzameling portretten en herinneringen. Voskuil overleed op 1 mei 2008 na een kort ziekbed. Postuum verschenen zijn romans Binnen de huid en De buurman en de essaybundel Ik ben ik niet, ingeleid door Detlev van Heest.

Ratings & Reviews

What do you think?
Rate this book

Friends & Following

Create a free account to discover what your friends think of this book!

Community Reviews

5 stars
10 (18%)
4 stars
31 (57%)
3 stars
11 (20%)
2 stars
2 (3%)
1 star
0 (0%)
Displaying 1 - 8 of 8 reviews
Profile Image for Annemarie.
223 reviews4 followers
April 10, 2023
'Zo bezien wordt het een toppunt van moed om je dagboek uit te geven,' filosofeer ik door. 'Een enorme moed. (...) Daar moet je enorm sterk voor staan. Niemand die je meer wat maken kan. Waarschijnlijk schrijf je meteen geen dagboek meer. Nee, natuurlijk niet.'
zaterdag 21 maart 1964, p. 661-662

Dit is het tweede deel van de zeven dagboeken die zullen verschijnen van veelschrijver J.J. Voskuil. Het eerste deel van de dagboeken heb ik overgeslagen, mede vanwege het feit dat echtgenote Lousje de dagboeken deels zelf had 'geredigeerd.' Ik kom juist voor het smeuïge. En dat krijgt de lezer ook. De problematiek in de jaren 50-60 was niet anders dan in de huidige jaren 20. Overspel, burn- en boreouts, #MeToo-achtige taferelen op het werk, alles passeert de revue. Ook de welbekende echtelijke ruzies met Lousje ontbreken niet. Ik vind haar overigens sympathieker in de dagboeken dan in Het Bureau. Je kunt die vrouw ook geen ongelijk geven: Voskuil start zelf bijna een wereldoorlog als hij bij het koken van het theewater en het water voor de eieren een ei verkeerd in de pan laat vallen, waardoor iemand een - wee o wee - gebarsten ei moet eten en de hele boel overkookt (p. 293-296).

Vrouwen zijn sowieso een bron van onrust voor Voskuil. Hierover is al het nodige gezegd en geschreven: was hij toch homoseksueel, gefrustreerd of geen van beiden? In zijn dagboeken gaat het in ieder geval alle kanten op. Een meisje dat op straat haar hoofd afwendt om Voskuil niet te hoeven groeten is direct 'een onbetekenende hoer,' bij een overbuurman op leeftijd die de bovenbuurvrouw (weduwe, 70 jaar) in de avond thuisbrengt verzint Voskuil allerlei platte praatjes tussen de twee bejaarden en als hij tijdens het afscheid van Meertens tegenover een man belandt die dicht op hem staat, heeft Voskuil de neiging om deze man te zoenen.

Hoewel Voskuil bijna iedere vrouw wil 'vernietigen' (lees: met haar naar bed wil), lukt dit eigenlijk nooit. Dat is uitgebreid beschreven in Binnen de huid, wat getuige het dagboek een regelrechte martelgang was om te schrijven. De dagboeken tonen echter nogmaals aan dat hij in zijn echtgenote zijn meerdere moet erkennen. Zij durft wél onmaatschappelijk te zijn: ze heeft geen baan en weet haar mening met argumenten naar voren te brengen, zonder zich snel van dit standpunt af te laten brengen. Ook lukt het haar wél om een amoureuze relatie aan te gaan - met Jaap Oversteegen nota bene. Beter bekend als Paul Dehoes in Bij nader inzien, de gevallen vriend en echtgenoot van Suus Hoven, de oud-studiegenoot waar Voskuil zelf warme gevoelens voor had (zie Binnen de huid).

De gezapigste stukken uit het dagboek vond ik de reacties van Voskuil op de feedback van zijn intieme kring op zijn eerste roman Bij nader inzien. De roman is zelf een verklaring op zich, in het dagboek doet hij het dunnetjes over. Voskuil vindt het vervelend als zijn vrienden zich niet in de personages herkennen of gebeurtenissen van toen anders herinneren. Voskuil noemt meer dan eens dat zijn onzekerheid de reden is dat hij in zijn werk alles zo feitelijk mogelijk opschrijft. Jammer genoeg lijkt hij - zo intellectueel als hij denkt te zijn - niet te beseffen dat ook zijn notitiedrift hem er niet van kan weerhouden slechts zijn éigen waarheid neer te pennen.

Het dagboek biedt een interessante aanvulling op het reeds gepubliceerde werk. De kenner zal hier en daar wat bekende scènes uit Het Bureau voorbij zien komen, maar dat is verre van storend.
Ik ben benieuwd naar het volgende deel.
Profile Image for Bram.
277 reviews
March 11, 2023
Het proza van Voskuil is geweldig. Ik had wel een paar honderd pagina’s nodig om er een beetje in te komen, maar daarna was ik er helemaal in thuis. Voskuil heeft een grote weerzin tegen nagenoeg alles en iedereen; de wereld wordt zijns inziens bevolkt door rotzakken. En dan schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Je hebt alleen te weinig tijd om iedereen die vernietigd moet worden te vernietigen. Bovendien leven ze na de vernietiging rustig door.’ (p. 373) En de drang om te vernietigen is bij Voskuil misschien nog wel het sterkst waar het zijn oude vrienden betreft (bijvoorbeeld omdat die niet trouw zijn gebleven aan vroegere idealen).
Voskuil komt uit zijn dagboek naar voren als een overgevoelige, agressieve en rechtlijnige man. Hij is iemand die anderen voortdurend de maat neemt. Toch is hij ook innemend. Hij maakt anderen genadeloos af, maar is in zijn zelfkritiek niet minder scherp. Uit zijn observaties spreekt bovendien een buitengewone opmerkingsgave.
Tot slot nog een citaat: ‘Hoe ik het leven ook draai en omdraai, ik zie er niet veel in. En toch heb ik alles wat mijn hart begeren kan en daarnaast nog een diepe minachting voor wat ik niet begeer. Alleen als ik schrijf dan heb ik soms lol, een beetje grimmige lol, maar lol.’ (p. 481) Die lol is invoelbaar. Ik heb dit hypnotiserende en venijnige boek – het is oersaai, soms ergerlijk, en tegelijkertijd mateloos fascinerend – met heel veel plezier gelezen. Voskuil is een groot schrijver.
Profile Image for Gijs Zandbergen.
1,082 reviews28 followers
December 11, 2023
Probleem met Voskuil is dat ik hem niet zo aardig vind. Hij neemt iedereen de maat, inclusief zichzelf, maar in dat laatste geval is hij 'nou eenmaal zo'. Voskuil is zo iemand die, als hij het woord heeft en geen gelijk krijgt, doorslaat en alleen nog maar zichzelf hoort praten. Dit dagboek vind ik daarom alleen leuk als hij over het Bureau schrijft, wat ik overigens een geweldige serie vind. Dit in tegenstelling tot Kees Fens, die me eens vertelde dat hij Voskuil soms bij hem op de gracht zag lopen en dat hij hem dan ontweek. Dat had een reden. Fens had Het Bureau niet gelezen, omdat hij geen zin had in 'dat geneuzel'. Uit onder meer dit dagboek begrijp ik dat Fens (bevriend met Voskuils vijand Jaap Oversteegen) Bij Nader Inzien een slechte recensie had gegeven, terwijl Voskuil zichzelf toch vergeleek met Joyce en Musil. Dan kun je elkaar maar beter ontwijken.
69 reviews
April 3, 2025
Voskuil is bij mij door dit boek volledig van zijn voetstuk gedonderd. Ik heb nagenoeg zijn hele oeuvre met plezier gelezen, maar deze blik achter de schermen heeft de illusies die ik koesterde voorgoed kapotgemaakt. Ik dacht dat hij een man was met een kritische kijk op de wereld om hem heen, een man die het handelen van anderen, maar vooral ook zichzelf, onder de loep nam en daar stabiel en fair verslag van deed. Niets blijkt echter minder waar. Voskuil blijkt een querulant. Een ronduit vervelende man die anderen continu de maat neemt. Hij hanteert een soort vaag principe van puurheid dat hij zich in zijn studententijd heeft eigen gemaakt. Maar waar de meeste mensen om hem heen zich ontwikkelen en groeien (zij het persoonlijk, zij het maatschappelijk) kan hij deze 'principes' niet loslaten. Dit resulteert in bizarre aantijgingen aan het adres van vrijwel iedereen om hem heen en karaktermoorden op het merendeel van zijn oude vrienden en kennissen. Sommige van de brieven die hij mensen stuurt zijn echt bij de wilde spinnen af. Niemand deugt, niemand doet het goed in de ogen van Voskuil. Niemand, behalve hijzelf natuurlijk. In al zijn ongerichte woede ontziet hij namelijk telkens weer zichzelf. Natuurlijk neemt hij zich af en toe ook de maat, maar dat is dan nagenoeg altijd vrijblijvend en oppervlakkig. Ik zie slechts nog een zielige, eenzame man gevangen in een disfunctioneel huwelijk (huiselijk geweld!) en een almaar groeiende depressie. Een treurig inkijkje in het leven van een iconisch schrijver.
Profile Image for Hans Moerland.
570 reviews15 followers
December 13, 2023
Over dit tweede deel van de gepubliceerde dagboeken van J.J. Voskuil schrijft Bert Wagendorp in zijn recensie in de Volkskrant dat het ‘in elk geval weer ouderwets leuk [is], in tegenstelling tot het geamputeerde eerste deel’. Ik moet hem zonder meer nageven dat het een belangrijke meerwaarde is dat de dagboeken over de jaren 1955-1965 volledig gevrijwaard lijken te zijn gebleven van censuur door Voskuils echtgenote Lousje.
Wat mij betreft speelt er echter iets wat nog meer gewicht in de schaal legt bij een vergelijking, qua leesplezier, tussen de eerste en de tweede uitgave. Over het eerste deel noteerde ik onder meer dat ‘essentialisme en metafysica hoogtij vieren’, en repte ik van ‘intellectualistische, moralistische en navelstaarderige quasi-diepzinnigheid’, en van ‘een moeras van abstracties’. Weliswaar toont Voskuil zich ook in de dagboeken over de jaren 1939-1955 een ware meester in de beschrijving van feitelijkheden, van het anekdotische, van het alledaagse, het concrete, maar hier bleek een en ander nogal eens ondergesneeuwd onder hetgeen op mij in de eerste plaats overkomt als pedant geneuzel. Het is met name dankzij een forse accentverschuiving in de richting van het meer tastbare, dat aan de hooggespannen verwachtingen die ik met betrekking tot de publicatie van Voskuils dagboeken koesterde, in “Capitulatie” volledig wordt voldaan. En als ik nu hieronder probeer aan te geven waarom ik zo van dit boek heb genoten, onder meer aan de hand van kenmerken, thema’s en onderwerpen die me bij uitstek bevielen, dan zijn dat dus geen dingen die voorheen compleet ontbraken maar gaat het meer om een soort ‘doorontwikkeling’, een verdere profilering van de simpeler Voskuiliaanse aangelegenheden.

Om te beginnen zijn daar dan die anekdotes, veeleer op droge wijze verteld, zonder effectbejag, maar met een soms geweldig komische uitwerking op de lezer. Zo is daar de beschrijving van een ruzie, met Lousje, over de kwestie of ze de Kerstdagen van 1958 getweeën zullen doorbrengen dan wel samen met anderen. Deze wordt uitgesponnen over ettelijke pagina’s (212-226), en beide huwelijkspartners worden daarbij in feite op onvergetelijke wijze geportretteerd – alsmede zeer herkenbaar, voor de lezers van Voskuils romans en eerdere non-fictie. En op pagina 635 valt dan weer te lezen: “’Maar in een uur kun je ook een heleboel ruzie maken,’ zegt [Lousje]. Ik moet daarom lachen. Zij in ieder geval wel, naar mij uit ervaring bekend is.”
In de contacten en discussies met vrienden, familieleden en kennissen doen zich eveneens keer op keer uiterst gênante situaties voor, waarbij het ongemak niet zelden van de bladzijden afspat. Over een bezoek van vriendin Frida Vogels en haar broer Kees aan de Voskuilen noteert de gastheer bijvoorbeeld: “Aan tafel ging het nog geanimeerd, daarna waren we snel uitgepraat. Kees en Frida zeggen niks, L. zegt nooit wat. Ik praat zolang ik kan, maar ik beleef te weinig om […] avonden volledig te vullen. Bovendien wordt er niet gereageerd. Ik word zwijgend aangehoord, in het beste geval wordt er gelachen. Waarna we weer zwijgend in een kring zitten, de ellebogen op de knieën, tot ik weer iets verzonnen heb” (p. 417). Twee jaar later is het nog van hetzelfde laken een pak: “Tot kwart over elf zwijgend bij elkaar gezeten omdat er niets te zeggen viel” (p. 531).

Meer in zijn element dan tijdens zulke afgrijselijke visites is Voskuil soms wanneer hij eropuit trekt, alleen dan wel samen met Lousje. Waar de verslagen van de grote tochten die ze in het buitenland plegen te ondernemen zijn gepubliceerd in wat ik gemakshalve maar de ‘wandelboeken’ noem, gaat het in de dagboeken vooral om kleinschaliger wandel- of ander plezier. Zo trekt het echtpaar te voet of op de fiets door diverse Nederlandse provincies, en ook in “Capitulatie” manifesteert de dagboekschrijver zich weer als een prima observator, die wat hij zoal waarneemt op aansprekende wijze weet te verwoorden. Je ziet het allemaal voor je, het landschap waar de Voskuilen doorheen lopen of fietsen, de stadjes en de dorpen die ze passeren of bezoeken, en je voelt de regen, de hagel en de wind en, sporadisch, de zonneschijn die hun daarbij ten deel valt.
De actieradius is in deze jaren van dien aard dat men ook in onder meer Zeeland en Noord-Brabant terechtkomt, in welke gevallen de verslaglegging overigens een enkele keer minder accuraat overkomt (Schuddebeurs in Zeeuws-Vlaanderen i.p.v. op Schouwen-Duiveland? En moet Dremmel geen Dreumel zijn?). Veelvuldig wordt tijdens zulke mini-tripjes, net als trouwens in het leven van alledag, de horeca gefrequenteerd, hetgeen niet zelden een (letterlijk) lachwekkende beschrijving oplevert. Drank en voedsel worden bij zulke gelegenheden zo vaak en in zulke hoeveelheden geconsumeerd, dat het echtpaar Voskuil, zeker hij, wel eens de hele bedrijfstak overeind lijkt te moeten houden.

‘Mini-trip’, het is niet eens bewust geweest dat ik ‘m net bezigde, maar die term werd (laat?) in de jaren zestig in ons land gemeengoed door de korte trein-hotelvakanties die de NS onder die noemer introduceerde. Wellicht speelt hier dus het tijdsbeeld van die periode me parten, een tijdsbeeld dat in de dagboeken geregeld om de hoek komt kijken. Het waren in tal van opzichten socialere tijden, tijden waarin de verzorgingsstaat werd opgebouwd in plaats van afgebroken. Voskuil geeft zelfs in een discussie met een vriend te kennen ‘dat socialisatie van de nutsbedrijven toch door niemand meer ongedaan gemaakt zal worden’ (p. 427).Tja, da’s buiten de waard van de VVD gerekend en van ‘socialisten’ of sociaaldemocraten die in latere jaren de marktwerking toch ook wel een warm hart zouden blijken toe te dragen, op velerlei gebied. Ook werden, om nog een ander voorbeeld te noemen, in de jaren zestig zieke (of quasi-zieke) werknemers heel anders benaderd en met veel soepeler regelgeving en procedures op het gebied van keuring en eventuele afvloeiing geconfronteerd, dan heden ten dage het geval is. Een personage uit Het Bureau dat mij nog helder voor ogen staat, is Bart Asjes. Voskuil verhaalt in zijn dagboeken hoeveel moeite hij heeft moeten doen om diens aanstelling bij Het Bureau gerealiseerd te krijgen, maar eenmaal in dienst gekomen en nota bene kamergenoot geworden van Voskuils alter ego Maarten Koning ontpopt Asjes zich als een ronduit onbetrouwbare slapjanus, als een werknemer die telkenmale weken en weken, zo niet maanden afwezig is; het zou voor hem riskant zijn om naar z’n werk te gaan vanwege een lichaamstemperatuur die de 37 graden wel eens zou kunnen gaan overschrijden. Van enigerlei contact met of bezoek van een controlerend geneesheer is in de verste verte geen sprake. Zowel Maarten Koning als J.J. Voskuil blijkt nogal toegeeflijk ten aanzien van een dergelijke mentaliteit.

Een en ander brengt me op een intrigerend aspect van de dagboeken 1955-1965, te weten dat van de verhouding waarin ze staan tot de romans van Voskuil. Zo valt er het nodige te lezen over de totstandkoming van “Bij nader inzien” en de wijze waarop passages uit dit boek (in wording) overkomen op hen die deel uitmaken van de vriendengroep die erin wordt geportretteerd. En enige jaren later is daar de worsteling van de auteur met de buitengewoon delicate inhoud van de roman die pas na zijn overlijden zal verschijnen als “Binnen de huid”. Voorts blijken in de dagboeken uit deze jaren gedachten en gedachtewisselingen –met vrienden als Bert Weijde en Kees Vogels, maar ook met echtgenote Lousje– op papier gezet over het verschijnsel dagboek als zodanig: over het schrijven ervan, maar ook over de mogelijkheid een dagboek te publiceren dan wel te vernietigen. In wat ruimer verband staat dan weer genoteerd: “Het is niet plezierig om te schrijven en onplezierig om gepubliceerd te worden. Maar niet-schrijven kan ook niet” (p. 199).
Niet de minst interessante kwestie betreft de mate waarin de tekst van de dagboeken correspondeert met hetgeen men als lezer van Voskuils fameuze opus magnum “Het Bureau” over allerhande zaken en vooral personen te weten is gekomen. Zo krijgen de toch al discutabele handel en wandel en ook het slappe karakter van het personage Beerta in “Capitulatie” nog wat scherpere kantjes in de hypocrisie, de onoprechtheid en de schaamteloosheid die veelvuldig aan de dag wordt gelegd door P.J. Meertens, de directeur naar wie het instituut uit de zevendelige romancyclus op zeker moment is vernoemd. In de dagboeken is ook sprake van diens ‘streken’, ‘rotstreken’ zelfs, en een enkele keer van een typering als ‘smeerlap’, maar over het geheel genomen toont de auteur zich desalniettemin betrekkelijk terughoudend in zijn oordeel over iemand die in feite vooral een charlatan lijkt te zijn. Waar het gaat om de professionele activiteiten die men op het onderzoeksinstituut wordt geacht te verrichten valt mij nog op dat (de fictieve) Maarten Koning, overigens misschien pas in de latere delen van “Het Bureau”, in theoretisch en methodisch opzicht aardig aan de weg timmert, terwijl de auteur J.J. Voskuil nogal onbeholpen schrijft over bepaalde wetenschappelijke kwesties (p. 471; ik vraag me af in hoeverre ik de term ‘wetenschappelijk’ eigenlijk van hem zou mogen gebruiken).
Hoe dan ook blijft het boeien als men leest hoe Voskuil –of, waar het gaat om fictie, Maarten Koning– zich tot anderen verhoudt en hun telkens de maat neemt. Zonneklaar is trouwens dat hij bij voorkeur helemaal alleen is, compleet op zichzelf of desnoods in gezelschap van Lousje, maar die wens wordt meestal gefrustreerd door zowel zijn professionele activiteiten als zijn sociale contacten. Merkwaardigerwijs gaat het daarbij geenszins uitsluitend om contacten die Voskuil of de beide Voskuilen worden opgedrongen door een brede schare van vrienden en kennissen. Ze zoeken zulke contacten wel degelijk ook zelf, in feite zelfs met grote regelmaat. De vraag is dus wat ze eigenlijk waard zijn, die dagboeknotities dat hij een eenzaat is, dat hij gek wordt van al dat bezoek, dat hij gedesoriënteerd raakt door het zien van mensen, door het gegeven dat hij niet alleen wordt gelaten.

In die –min of meer verplichte, dikwijls liever vermeden– contacten doet de schrijver in ieder geval op zijn manier z’n best. Hij toont echter weinig of geen schroom aan zijn dagboeken toe te vertrouwen wat hij zoal vindt van de medemens in kwestie. Anders dan Lousje, die daar toch geregeld heel wat meer aanleiding toe geeft, worden bij gelegenheid zelfs de allerbeste vrienden weggezet als ‘kaffers, Frida [Vogels] voorop’ (p. 616). Net als in de eerste dagboekuitgave “Bijna een man” lijken de wereld en Voskuils omgeving grotendeels bevolkt door ‘zakken’ (bijvoorbeeld Meertens’ vriend Bianchi, de criminoloog), ‘klootzakken’ (zoals Reinold Kuipers, de uitgever), ‘rotzakken’, ‘smeerlappen’, welk laatste scheldwoord hij onder meer gebruikt ten aanzien van de hem slechts van haar interviews voor het weekblad Vrij Nederland bekende journaliste Bibeb (p. 529). Er is, met andere woorden, niet veel voor nodig om in de dagboeken voor van alles te worden uitgemaakt. Ook menig collega moet het ontgelden. De invalide Barkhuis is een ‘onaangename, rancuneuze man, die stikt in het zelfbeklag’ en ‘ziet eruit als een SS’er’ (pp. 440-441).
Misschien nog wel kenmerkender zijn de kwalificaties die Voskuil soms toekent aan personen met wie hij alleen maar zijdelings te maken heeft, in uiterst oppervlakkige contacten, of met wie hij zelfs helemaal niet te maken heeft. Het winkel- en horecapersoneel dat hij treft is steevast onvriendelijk en weinig behulpzaam. In een hotel in Zaltbommel treffen hij en Lousje ‘een Joegoslaaf, een klein, fascistisch mannetje, dat met het huishouden meeloopt’ (p. 460; maar het kan natuurlijk nog erger: elders, op de markt in Gorkum, overnachten ze in een compleet ‘rothotel’). Medehotelgasten worden meteen herkend als ‘zure, oude mensen’. In een bioscoop bestaat het (mede)publiek ‘voor het merendeel [uit] psychopathen’ (p. 475).
Ook hele beroeps- en bevolkingsgroepen moeten het ontgelden. Zo worden handelsreizigers en hoogleraren (deze laatsten als ‘ezels’) de grond in geboord, en is er sprake van ‘pastoraal gezwets’. Van kinderen –of ze nu de rust van de Voskuilen onderweg of bij de avondmaaltijd in een hotel verstoren of niet– moet de schrijver al helemaal niks hebben: “Kinderen zijn de pest” (p. 454). In Harlingen wandelen ze in het licht van kale, hoge natriumlampen, ‘die door een idioot geplaatst zijn’ (p. 412). Vaker trouwens bedient Voskuil zich, wanneer hij iemand wil typeren als geestelijk beperkt of niet helemaal volwaardig, van de term ‘imbeciel’, en hij doet dat zo gretig dat niet altijd duidelijk is of hij die term dan puur als scheldwoord gebruikt of dat er met zo iemand wel eens meer aan de hand zou kunnen zijn.
Aldus brengt Voskuil ook in “Capitulatie” zijn afkeer van de (nou ja, menig) medemens onder woorden. Toch is die afkeer niet universeel, hij geldt met name ‘de maatschappelijk geslaagden en de laffe charlatans daaromheen’ (p. 463). Een karakteristiek voorbeeld hiervan lijkt P.J. Meertens, die over het algemeen echter redelijk buiten schot blijft als Voskuil zijn ‘weerzin’ etaleert. Een zinsnede over enkele anderen die de auteur in zijn werk ontmoet laat opnieuw zien hoe fnuikend enig maatschappelijk succes is voor het oordeel dat Voskuil, naar we mogen aannemen sterk onder invloed van Lousje, over iemand kan hebben: “Alleen outcasts en underdogs zijn te verdragen” (p. 618). Dat ook met zulke types een prettige verstandhouding geenszins gegarandeerd is, hebben lezers van “De buurman” intussen meesmuilend kunnen constateren.

Strijk en zet wordt het genoegen van (de) Voskuil(en) in uitstapjes en vakanties (zie de ‘wandelboeken’), behalve door horecapersoneel en kinderen, ook door andere dingen ondermijnd. Is daar niet de dreiging van een bijtende hond, dan komen ze wel weer langs een mesthoop waar het stikt van de vliegen –de verregaande liefde voor dieren wordt in deze jaren nog wat minder geëtaleerd– of langs ‘een argwanende, niet helemaal normale boer’, en keer op keer is sprake van een verpest landschap. Zo ook, begin juni 1962, in de buurt van Den Bommel: “Zelfs hier wordt alles al bedorven door de auto.” Verpest blijkt ook de weg langs de Brielse Maas naar Oostvoorne, en in het Botlekgebied verdwaalt het echtpaar, om vervolgens ‘urenlang over slechte wegen door het zand [te] ploeteren’ (p. 461).
Een voor wie zich op pad begeeft wel zeer belangrijke factor laat eveneens heel wat te wensen over. Erbarmelijke weersomstandigheden zijn veeleer regel dan uitzondering. De Voskuilen zouden een vakantie in de Sahel hebben moeten doorbrengen, dan had men daar ook eens een keer regen gehad (zulks naar analogie van een grapje van mijn levenslustige kameraad Chris, die met een tiental anderen deel uitmaakte van de hechte vriendenclub waarmee mijn vrouw en ik jarenlang ergens in Nederland een dag of wat gingen wandelen en kamperen; welke maand of omgeving we daarvoor ook uitkozen, dat het aan één stuk door zou gaan plenzen stond eigenlijk wel bij voorbaat vast. Een groot liefhebber van Voskuil was onze Chris trouwens ook, zij het dat hij door zijn zeer vroegtijdig overlijden geen ander werk van hem heeft kunnen lezen dan “Bij nader inzien”).
Negatieve ervaringen voeren in “Capitulatie” dus overduidelijk de boventoon, maar zou dat niet zijn terug te voeren op een zekere selectiviteit? Is de dagboekschrijver wellicht geneigd geweest vooral het onaangename, het vervelende te noteren, van hetgeen hem zoal overkwam en wat hij waarnam? Zijn het, bij wijze van spreken, echte meteorologische depressies die zijn uitstapjes en tochten zo vaak vergallen of liggen daaraan soms mede depressies in psychische zin ten grondslag? Een makkelijk man is hij natuurlijk geenszins, voor zichzelf zo min als voor anderen. Zijn schrijven over vrienden, collega’s, kennissen maar ook over willekeurige vreemden getuigt niet zelden van een agressieve instelling. Onomwonden geeft hij te kennen bepaalde mensen te willen neersabelen, te willen ‘vernietigen’ zelfs. Voskuil is er de man niet naar om een blad voor de mond te nemen (dat doet hij eigenlijk alleen waar zich seksuele aangelegenheden lijken aan te dienen, dan is het een en al geremdheid of preutsheid wat de klok slaat).
In die ronduit moeizame verhouding tot en omgang met anderen werkt mogelijkerwijs de wrok door die in de dagboeknotities doorklinkt, de rancune, de frustratie. Het is dan ook allerminst het beeld van een levensgenieter dat oprijst uit wat de auteur zoal met betrekking tot zichzelf noteert. Bijvoorbeeld op 17 januari 1957: “Sinds 3 januari gedeprimeerd. De futiliteit van dit alles. Weerzin […]” (p. 93). Even daarvoor al heeft hij geconstateerd: “Het leven is zinloos geworden” (p. 73). Verder leest men in dit verband over ‘uitzichtloosheid’ (“Alleen als ik schrijf, verdwijnt dat”, p. 229), over zijn ‘puritanisme’ en ‘onmaatschappelijkheid’, die beide zouden zijn te herleiden tot angst (p. 245), over zijn afnemende of zelfs volledig verdwenen sympathieën (p. 327). Voskuil barst in feite van de waardeoordelen en meent dat ‘iemand die te lang op de vlakte blijft, zijn kwaliteiten [verliest]’ (p. 417). Hij maakt gewag van ‘het koppige geloof in mijn eigen gelijk, ook als ieder ander me een rotzak vindt’ (p. 509); de verzuchting ‘waar blijf je als je geen verklaring hebt’ (p. 517) is eerder een constatering dan een vraag.
Van gevoel van verwantschap met een schrijver die zulke teksten produceert –gelukkig geen voorwaarde om zijn werk in hoge mate te waarderen!– is bij mij nauwelijks sprake. Soms is dat echter wel degelijk het geval, bijvoorbeeld als ik lees ‘ik houd van boeken waarin niets gebeurt’ (p. 463). Tja, er zijn anderen die zeggen juist om die reden “Het Bureau” na lezing van het eerste deel voor gezien te hebben gehouden…

Al met al bleek “Capitulatie” dus precies het boek dat ik bij aanschaf hoopte te gaan lezen. Nog een pluspunt: anders dan in “Bijna een man” is van beschrijving van dromen niet of nauwelijks nog sprake. Mijn dank en complimenten gaan wederom uit naar de bezorgers (ondanks wat dt-fouten in de buurt van pagina 280) en naar Lousje Voskuil-Haspers. Wie de credits verdient voor de zeer aansprekende, veelzeggende titels die de respectieve dagboekuitgaven hebben gekregen is mij niet duidelijk, maar de lezer die is gecapituleerd voor inhoud en stijl van de dagboeken 1955-1965 zal mijns inziens alleen maar kunnen denken: op naar Voskuils “Martelaarschap”!
57 reviews
November 5, 2023
Als Voskuil al reizend schrijft is hij altijd fantastisch. Fietstochten, wandelingen, door de stad: schitterend beschreven. Werk op Het Bureau is scherp geobserveerd, hetgeen we door de reeks met die titel al wisten. Tegelijk is het ook een vreemd dagboek. Soms is er 20+ pagina's tekst over één avond visite, dan weer vliegen we in een paar pagina's door een half jaar heen. Bij de visites zit ook veel ongelofelijk geouwehoer. Soms is er villeine roddel over anderen (Meertens en zijn vriend Bianchi) die teveel aandacht krijgt. Voskuil is een fantastisch schrijver, maar zo langzamerhand wordt wel iedere snipper informatie van en over hem gepubliceerd. Gelet op het hoge autobiografisch gehalte van zijn proza is aandacht voor zijn dagboeken op zich al opmerkelijk. Een mooie leeservaring en tijdsbeeld, maar het gedweep mag wel wat minder.
Profile Image for Peter.
210 reviews4 followers
May 20, 2023
Een cruciale periode met het verschijnen van 'Bij nader inzien' en het begin van het werken op het 'Bureau'. Ook de worsteling met het schrijven van het tweede boek is mooi om te volgen. En wat neemt deze man vriendschappen serieus; wel zowat het meest overdachte thema in deze jaren. Een stuk evenwichtiger dan deel 1 van de dagboeken.
Profile Image for Huub.
302 reviews2 followers
April 12, 2024
Interessant egodocument als begeleiding bij Bij nader inzien, Binnen de huid en het Bureau.
Daarnaast ook tijdsbeeld van fietsvakanties en intellectuele discussies
Displaying 1 - 8 of 8 reviews

Can't find what you're looking for?

Get help and learn more about the design.