Een cultuuranalyse van het ik.In ÔEgoÕ onderzoekt theoloog Bram van de Beek het moderne en het bijbelse denken over het inpidu. De inpiduele mens staat in onze tijd namelijk steeds centraler en dat is geen goed nieuws. In dit boek neemt de auteur ons mee op een reis door de geschiedenis en plaatst hij het Ôik denk dus ik benÕ van Descartes tegenover het bijbelse ÔIk benÕ. De manier waarop wij over onszelf nadenken is volgens hem cruciaal voor de manier waarop wij aankijken tegen wetenschap, godsdienst en klimaat. Bram van de Beek neemt de stelling in dat de ander belangrijker is dan het ik. Daar zal niet alleen de mensheid, maar ook de natuur wel bij varen.
Scherp, confronterend en troostend. Dit boek schetst ons ik-denken, dat ons ver verwijderd van de echte kern van het geloof: dat onze identiteit in Jezus ligt. Het boek is zo opgebouwd dat eerst de ontwikkelingen van het ik-denken in de maatschappij en de kerk worden beschreven, waarbij naar voren komt dat de kerk eigenlijk altijd vooruit loopt op haar tijd. Dit valt onder "Ik ben dus ik ben". Daarna gaat het over de Bijbelse visie op het ik. Hoe is Jezus hierin? -> ik ben die ik ben.
De kracht van het boek zou verdwijnen als ik verder hier alles zou proberen samen te vatten. Het beste is het zelf te lezen.
Pittig om te lezen, heftig om te lezen, confronterend en toch blij dat ik hem gelezen heb. Het boek opent je ogen voor hoe het zelfgerichte denken ontstaan is in de geschiedenis en welke rol de kerk daarin heeft gespeeld. En het biedt zicht op wie God in Christus is en hoe dat ons bevrijdt van ons ego.
Dit is een vlot geschreven reflectie op de centrale plek van het ik in kerk en maatschappij. Lapidaire stellingen als: ‘Het wordt niet beter in de wereld. De structuren zijn nu eenmaal zo dat de sterkste het pleit wint, en dat leven bestaat bij de gratie van de dood van anderen. [...] Het is nu eenmaal zo dat alle levende wezens een beperkte houdbaarheid hebben, individueel en als soort. Grootbekken zoals krokodillen kunnen het lang volhouden, maar er komt een dag dat ook die zijn uitgestorven, net als de mens.’ (p. 226) worden afgewisseld met botte en oppervlakkige karakteriseringen – Kant is een autist (p. 48) en Marcion een charlatan (p. 77) – en met cynische voorbeelden. De algemeenheid van de zwaartekracht wordt bijvoorbeeld geïllustreerd met een kind dat ‘tien hoog van een flat valt’ (p. 33).
De schrijfstijl en wijze van argumenteren doen denken aan Kuitert – maar dan zonder de poëzie en humor. Ideeën uit de filosofie, theologie, sociologie en antropologie worden gretig vermengd. Een of twee verwerkte preken over Mozes’ ‘Ik ben’ en Jesaja bieden een alternatief op het egocentrisme. De auteur betreurt in de kerk de focus die op de ethiek is komen te liggen: vuurtjes van activisme die opvlammen en dan weer uitdoven (p. 80).
Niet dat je iets van de opzet en inhoud mag zeggen, want de auteur snoert al in het voorwoord elke vorm van nuancering en kritiek de mond: ‘Er is bewust gekozen om het te houden bij vaak ongenuanceerde hoofdlijnen.’ (p. 11) Relativeren is namelijk uit den boze. Nog erger is de ziekte ‘dat je gewoon niet luistert naar iemand die iets anders zegt dan wat je zint’ (p. 11). Ik heb goed geluisterd. En ik heb vier vragen.
Eerste vraag. Hoe sterk is het aanwijzen van het ego als boosdoener voor de problemen van kerk en maatschappij, als dit fenomeen al zo vroeg een prominente rol speelt in denken en handelen? De auteur schrijft: ‘In de ruim twintig jaar dat ik in Veenendaal woon, heeft er een enorme verandering plaatsgevonden in de kerk, niet alleen in deze forensenplaats, maar wereldwijd.’ (p. 9) De subjectiviteit doordringt alle aspecten van het leven en alle gemeenschappen. Maar wacht, het zijn eigenlijk de studentenopstanden van 1968 (p. 50) waar het hek van de dam ging. Of nee, eerder al: Descartes (p. 19v) is de boosdoener. Of het latere deïsme. En Luther uiteraard (p. 65). Wacht eens even, eigenlijk hebben we nog Augustinus – die begint ook al bij de mens (p. 86). Zo’n beetje iedereen die niet past in de klassieke theocentrische theologie (p. 14), die de mensen hun ik ontneemt, draagt bij aan de kleine en grote hedendaagse problemen. Als lezer blijf je achter met de onzekerheid: komt het ontspoorde ego nu uit de 4e eeuw, de 16e, de 17e, de 20e of de 21e? Het doet denken aan het aloude klagen over de jeugd van tegenwoordig waar de antieke Egyptenaren al meewarig hun hoofden over schudden.
Tweede vraag. Wat doet de auteur met de decentrering van de mens in de postmoderne filosofie en theologie? De mens als knooppunt in een netwerk (Latour), de parasiet in een dynamisch systeem (Serres), het subject als effect van een gebeurtenis (Žižek), het ik onder deconstructie (Derrida) – dit zijn stuk voor stuk denkbewegingen die de soevereiniteit van het ego ondermijnen. Theologisch is er eveneens volop ontwikkeling: de ecotheologie, het gemeenschapsdenken vanuit Aziatische en Afrikaanse contexten, de relationele ontologie. Van de B. blijft haken bij Descartes en Kant als prototypische boosdoeners en negeert dat de filosofie het ego inmiddels heeft ontmanteld. Dat is een vreemde lacune voor een cultuuranalyse.
Derde vraag. Is ethiek niet altijd ook een kernelement geweest in de christelijke gemeenschap? De auteur haalt dat zelf aan: ‘Het is de HEER die recht doet aan de verdrukten, brood geeft aan de hongerigen [...]’ (p. 169) om vervolgens te stellen: ‘De God over wie de Bijbel spreekt, heeft allereerst te maken met gerechtigheid en in een wereld waarin veel onrecht heerst dus met oordeel’ (p. 169). Maar moet dit uitgespeeld worden tegen meer God-gecentreerde vormen van theologisch spreken? Komt God niet juist tot zijn eer in het ethisch handelen? De minderbroeders, de begijnhoven en meer moderne vormen van professioneel diaconaat zoeken naar oplossingen voor aardse problemen zonder een zero-sum game met God te spelen. Ethiek en theologie staan niet tegenover elkaar – ze zijn elkaars vlees en bloed.
Vierde vraag. Gaat de auteur niet te makkelijk mee in een absolutistisch survival of the fittest? (p. 105v) Complexe vormen van samenleven maken juist ruimte voor minder ‘fitte’ vormen dan een strikt Darwinistisch model zou voorspellen. We euthanaseren niet massaal grootouders – zelfs niet als ze ongeschikt zijn om op de kleinkinderen te passen. Er is geen monolithisch spel. Een zin als: ‘Macht, competitie, met de daarbij behorende spanning, trucs, bondgenootschappen en verraad – ze zijn expressie van de menselijke natuur’ (p. 106) geeft slechts de helft van het plaatje weer. En dat is wat anders dan ongenuanceerd zijn: het is onvolledig zijn. Van de Beek, zelf bioloog, zou hier beter moeten weten. Symbiose, altruïsme en coöperatie zijn minstens zo kenmerkend voor de levende natuur als competitie.
Wat brengt iemand tot het schrijven van zo’n boek? Van de Beek is een theoloog die niet bang is om tegen de stroom in te roeien. Dat heeft hem in 2022 terecht de Theologie Oeuvreprijs opgeleverd. Zijn kruistheologie, zijn herwaardering van de patristiek, zijn weigering om het geloof gezellig te maken – het is een consistente positie, tientallen jaren volgehouden, die de Nederlandse theologie heeft opgeschud. Dit boek past in dat patroon. Het is de cultuurkritische variant van wat eerder dogmatisch werd uitgewerkt in de reeks Spreken over God.
De diagnose raakt natuurlijk aan een werkelijkheid. Ja, het westerse individu heeft zich opgeblazen tot ongekende proporties. Ja, de kerk loopt het risico om in haar verlangen naar relevantie het eigene kwijt te raken. Ja, de sacramenten bieden iets wat het activisme niet biedt: een genadige onderbreking van het ik. Dat zijn inzichten die de moeite waard zijn, en Van de Beek formuleert ze met de overtuigingskracht van iemand die er zijn leven aan heeft gewijd. Maar het medicijn is magerder dan de diagnose. Na meer dan 200 pagina’s waarin werkelijk alles – van klimaatbeleid tot democratie, van Descartes tot de megakerken – is ontmaskerd als ego-project, resteert slechts de kale kerkbank. Houd het vol met de sacramenten. Verwacht niets van de wereld en weinig van je medemens.
En dat is te weinig. Een cultuuranalyse die pretendeert de wortel van het probleem bloot te leggen, kan niet volstaan met het aanwijzen van één wortel. Het ego is niet de enige verklaring voor de staat van kerk en wereld, zoals competitie niet de enige motor is van de evolutie. De werkelijkheid lijkt me weerbarstiger – en ook hoopvoller – dan dit boek toelaat. Misschien is dát wel de ironie: een boek dat het ego aan de kaak stelt, maar daarbij geen ruimte laat voor de ander die het anders ziet.
Robuuste, realistische theologie en hoogst actueel nu Poetin Oekraïne is binnengevallen. Rücksichtslos krabt van de Beek alle vernisjes van het (post)moderne ego af. Daar stemt niet echt vrolijk, maar toch is dit een boek waar ik (uiteindelijk) vrolijk van word, omdat het weinig verwacht van de mens en alles van God (zonder de menselijke verantwoordelijkheid overigens te veronachtzamen). Van de Beek plaatst in dit essay het 'ego' van Descartes, dat zichzelf bevestigt en poneert (Cogito ergo Sum), tegenover het 'ego' van God. Dat wordt gedefinieerd door de Godsnaam HEER (Ik ben die Ik ben). God is. Hij is dat als redder. De twee laatste hoofdstukken zijn de spits van zijn betoog. De identiteit van een christen ligt door de doop in Christus. Dat maakt vrij om niet jezelf, maar de ander te dienen. Aanrader.
Eindelijk een boek dat kan uitleggen waarom het leven en sterven van Jezus goed nieuws is. Daarbij een confronterend boek voor iedereen die zichzelf belangrijk vindt.
Een lezenswaardig boek, waarbij de subtitel ‘Niet ik, maar Ik’ niet zou misstaan. Van de Beek zet zich in duidelijke bewoordingen af tegen de centrale plaats van het ik in de Westerse maatschappij en neemt de lezer mee terug in de tijd, ver voor Decartes die ongegrond wordt beticht als grondlegger door zijn uitspraak Ik denk dus ik besta. Van de Beek beschrijft duidelijk de noodzaak van Ik ben (de godsnaam) in ons eigen leven. Het lezen van het boek brengt je weer met beide benen op grond, mocht je jezelf wel erg belangrijk vinden in het leven.
Het boek begon wat mij betreft wat taai, met een uitgebreide uiteenzetting van de geschiedenis van ons ego. Ik had het wat moderner verwacht, gezien de cover en beschrijving van het boek. Laatste hoofdstukken spraken mij meer aan over onze identiteit in Christus.
Indrukwekkend, tegendraads en diepgravend overzicht van de huidige staat van cultuur en kerk. Zoals VdB aangeeft moet er her en der wel genuanceerd worden, zonder te relativeren. Toch wel een profetische stem, wat mij betreft. Zeker omdat hij het OT, de profeten, volop laat horen. De evangelische beweging krijgt er wel érg van langs… Over honderd jaar zijn ze verdwenen;-)