Van de Beek is in zijn dogmatische reeks vaak zeer wijdlopig, met veel excursen die niet altijd nodig zijn. In korte boeken als deze spreekt hij direct en to the point. Bovendien blijkt hier dat hij niet alleen originele dogmatische ideeën heeft, maar ook originele praktische voorstellen. En ook blijkt uit dit boek een zeer barmhartige blik op de mens, zowel de christen als de kerkverlater. Dat zegt ook iets over zijn godsbeeld. Ondanks de nadruk op de zonde en het kruis is Van de Beek daarin al vroeg een “Barthiaan” geworden en gebleven, dat de genade absoluut voorafgaat aan alles, en dat voor het individu genadekennis dus ook vooraf moet gaan aan zondekennis.