Een wanhopige zeemansvrouw schrijft in 1664 haar man op een oorlogsschip van Michiel de Ruyter, een ongeruste jongen in Vlissingen smeekt zijn broer in West-Indië om thuis te komen,een bezorgde moeder schrijft haar zoon op de slavenpost Elmina toch flink zijn best te doen en een zekere Jetje in Paramaribo richt een desperate liefdesbrief aan de zeeofficier die haar verlaten heeft. Het zijn maar een paar van de aangrijpende brieven in dit boek. Ze stammen alle uit het archief van de Engelse admiraliteit in Londen; ooit werden ze in beslag genomen op gekaapte Nederlandse schepen. Roelof van Gelder deed als eerste systematisch onderzoek naar deze brievenschat. Hij vond ongeveer 40.000 Nederlandse brieven uit de periode 1650-1815. Het zijn brieven van gewone Nederlanders aan hun verwanten ver over zee, maar ook van hen die huis en haard verlieten naar de achterblijvers in het vaderland. Deze brieven zijn nooit op hun bestemming aangekomen en nooit eerder gelezen. Er bestaan geen andere bronnen die zo'n indringend beeld geven van het dagelijks leven van de Nederlander in de vroegmoderne tijd.
Geboren in 1948 in Bergen (NH); Gymnasium bêta in Alkmaar, studie geologie en geschiedenis in Amsterdam; redacteur de Bosmier, Interpres en Propria Cures; leraar; vanaf 1978 vast medewerker van de kunstredactie van NRC Handelsblad; redacteur sinds 1991; vanaf 1993 bij de bijlage Boeken. Werkte mee aan verschillende historische tentoonstellingen, schreef artikelen en boeken over Amsterdam, de VOC, reizen en de geschiedenis van het verzamelen. Promoveerde in 1997 op "Het Oost-Indisch avontuur". In 2001 gastonderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam. Publiceerde in 2002 met V. Roeper "In dienst van de Compagnie. Leven bij de VOC in honderd getuigenissen (1602-1799)" en in 2003 "Naporra's omweg. Het leven van een VOC-matroos (1731-1793)". Deed in 2005 een half jaar onderzoek in The National Archives in Londen naar Nederlandse brieven uit de vroegmoderne tijd. In september 2008 verschijnt "Zeepost. Nooit bezorgde brieven uit de 17de en 18de eeuw".
Tijdens het lezen moest ik mezelf er regelmatig aan herinneren dat ik brieven zat te lezen die degene voor wie ze bestemd waren nooit onder ogen hadden gekregen. Tenminste, meestal niet. Soms had een zeeman alle brieven die zijn vrouw hem gestuurd had bij zich, toen zijn schip door Engelse kapers werd ingepikt. Die kende hij dan hopelijk al uit zijn hoofd. Bij andere brieven was het misschien maar beter dat ze nooit aankwamen. Was die zoon soms in Indonesië gebleven, zodat zijn moeder hem dan alleen nog maar per brief de les kon lezen? En die man die naar zijn vrouw schreef: 'maar toen hield je meer van mij dan nu', zou het zijn huwelijk goed gedaan hebben als zijn vrouw dat gelezen had?
Twee eeuwen bestrijken de brieven in dit boek, en de schrijvers komen uit alle lagen van de maatschappij. Ze vertellen hoeveel mensen er elke week in Amsterdam sterven aan de pest, wat tijdens de huidige pandemie wel een soort band schept. Ze vertellen over dingen die ik op school bij geschiedenisles geleerd heb, maar vooral ook gewone dingen over het dagelijks leven. En dat maakt het een stuk interessanter dan die geschiedenisles van vroeger. De brieven in dit boek zijn echte brieven van echte mensen. Eigenlijk is het jammer voor toekomstige mensen dat de meeste post de laatste jaren electronisch was. Daar vind je over een paar honderd jaar niiks meer van terug.
Spannende verhalen vol onzekerheid en menselijkheid. Het is vreemd om te weten dat de brieven nooit hun bestemming hebben bereikt en 400 jaar later onder mijn ogen komen.