Abraham Kuyper, voorvechter van het Nederlandse calvinisme en oprichter van de Anti-Revolutionaire Partij (voorloper van CDA), beschrijft in deze zes lezingen zijn visie op het Calvinisme in religie, in kunst, in de staat, in de geschiedenis, in de wetenschap en in de toekomst. Het boek begint met een biografische schets van Kuyper, geschreven door George Harinck.
De eerste lezing gaat over het Calvinisme in de historie. Kuyper beschrijft het ontstaan van de leer van Johannes Calvijn, en betrekt meerdere denkers zoals Luther en Erasmus daarbij. Kuyper noemt het calvinisme een ontwikkeling in het Christendom dat volwassen wordt uit het Rooms-katholicisme, dat volgens Kuyper te hiërarchisch, te paternalistisch en lichtelijk tiranniek is. Johannes Calvijn schrapt de kerkelijke instituties en haar heiligheid uit het godsbeeld, wat drastische gevolgen heeft voor de geschiedenis van Nederland. Het individu is opeens gelijk aan het andere individu, er is een rechtstreekse relatie tussen mens en God en de staat kan volledig seculier functioneren.
De tweede lezing gaat over het calvinisme en de religie. Het voornaamste punt volgens Kuyper is dat het Calvinisme ervoor zorgt dat de mens direct verbonden wordt met God, in plaats dat de mens één of meerdere mediums nodig heeft om in verbinding te komen met God. De paus, de bisschop, de kardinaal en de priester worden radicaal uit het Godsbeeld verwijderd en geschrapt van alle macht. Kuyper, hoewel zeer conservatief, ziet dit niet zozeer als een revolutie, maar meer als het volwassen worden van de gelovige. In de tijd van Johannes Calvijn deed de drukpers intrede (16e eeuw), gingen mensen vaker naar school en waren belezener. De mens had niet langer 'papa kerk' nodig om in verbinding te staan met God, de leer en de moraal. De mens kon zelf inzien wat nastrevenswaardig was en hoefde het niet langer aan de kerk te vragen. Hoewel het protestantisme in de zestiende en zeventiende eeuw veel bloed heeft moeten doen vloeien voordat het geaccepteerd werd, is het protestantisme volgens Kuyper geen progressieve religie, omdat de basis van de morele en culturele beschaving gehandhaafd blijft: de bijbel.
De derde lezing gaat over het calvinisme en de Nederlandse staat. Hij geeft een beschrijving van de tachtigjarige oorlog en de noodzaak die het calvinisme erin speelde. Nederland vocht tussen 1568 en 1648 tegen de Katholieke Spanjaarden. Kuyper is uitgesproken tegenstander van revoluties, maar Spanje was volgens hem duidelijk een tiran en onnatuurlijke overheerser, waardoor opstand gerechtvaardigd was. Willem van Oranje wordt een aantal keer aangehaald als voorvechter van de Calvinistische leer. Een belangrijk punt is dat het Calvinisme parallel aan het humanisme opbloeide. Kuyper ziet dan ook veel overeenkomsten tussen de tweede, alleen is het calvinisme superieur aan het humanisme, omdat het tijdlozer en inhoudsvoller is. Humanisme is volgens Kuyper een karkas van een ooit beschaafde cultuur, omdat het niets heeft wat een moreel kader kan vullen. De revolutie in Frankrijk, die voor Kuyper nog dichtbij stond, portretteert hij als het ultieme kwaad, een mensenmassa mag nooit op basis van lege, maar veelbelovende retoriek (wat de verlichting voor hem min of meer was) een maatschappij van top tot teen afbreken en opnieuw inrichten. Een prachtige zin vond ik: "waar het calvinisme streeft naar het paradijs dat ooit gevestigd zal worden en hier voorzichtig en geduldig op wacht, probeert de Franse Revolutie het paradijs hier op aarde te vestigen op basis van menselijke capaciteiten. Het humanisme/rationalisme is dus een overschatting van het menselijk vermogen en een ontkenning van de onderdanigheid voor God".
De vierde lezing ging over het calvinisme en de wetenschap. In dit onderdeel was ik het minder met Kuyper eens. Hij noemt een paar argumenten waarom wetenschap en religie niet contradictoir zijn, en waarom religie zelfs een noodzakelijke voorwaarde is voor het bedrijven van wetenschap (zonder geloof heeft het immers geen zin de wereld te onderzoeken). Het calvinisme heeft naar mijn mening echter weinig bijgedragen aan de opkomst van de wetenschap in de afgelopen vijfhonderd jaar. Kuyper noemt een reeks voorbeelden van uitvindingen die in de Nederlanden zijn gedaan door wetenschappers (microscoop, telescoop, etc), maar hij schrijft dat onterecht toe aan het calvinisme. Veel meer kunnen deze uitvindingen worden toegeschreven aan de Verlichting, humanisme en renaissance, dingen waar Kuyper juist tegenstander van is.
De vijfde lezing, het calvinisme en de kunst, is voor mij een onduidelijk stuk. Eerst begint hij argumenten waarom het calvinisme niet tot kunst zou hebben geleid te ontkrachten. Hiervoor gebruikt hij Hegel, die hij naar mijn mening volledig verkeerd begrijpt. Uiteindelijk noemt hij wederom een reeks opsommingen van kunstzinnige hoogstandjes uit de NEderlanden, met name uit de Gouden Eeuw, maar hij mist vervolgens een argumentatie waarom dat aan het Calvinisme te danken is. Wellicht is het zo dat het calvinisme een opkomst van een gegoede burgerij betekende, die calvinistische normen als spaarzaamheid, soberheid, investeren en opoffering van het heden voor de toekomst, hoog achtten en daarmee tot een bloeiende samenleving leidden, waarbij er genoeg wil, talent en middelen waren om cultureel en kunstzinnig tot bloei te komen. Toch ben ik er niet echt van overtuigd dat het calvinisme zoveel esthetica bevat: sobere psalmen, lege kerkmuren, geen mystiek en aards realisme staat er immers centraal.
De zesde lezing, het calvinisme en de toekomst, vond ik een stuk interessanter. Abraham Kuyper spreekt zijn (naar mijn mening zeer terechte) zorgen uit over de intellectuele en morele toekomst van Europa. Hij ziet dat steeds meer mensen God achter zich laten en vraagt zich af wat mensen daarvoor in de plaats zullen zetten. Kuyper schreef dit boek vlak nadat Darwin en Marx hun materialistische, naturalistische, atheïstische theorieën schreven, wat hij zag als een immorele verheerlijking van het aardse leven. Deze laatste lezing van het boek is een duidelijke waarschuwing voor radicalisering en een schreeuw om nederigheid en soberheid. Kuyper beschrijft dat in de meeste moderne ideologieën mensen naast alle andere mensen worden gezet, maar er geen abstract wezen meer boven staat, waardoor mensen over andere mensen zullen willen heersen. Voor Kuyper zit de schoonheid van het Calvinisme er dan ook in dat alle mensen wel gelijkwaardig zijn (in tegenstelling tot het Rooms-Katholicisme), maar dat de mens niet boven aan de natuur wordt gezet en dat alle mensen wel bescheiden moeten zijn in hun motieven vanwege de toorn van God (in tegenstelling tot het paganisme, dat hij regelmatig aanhaalt). Daarvoor is het calvinisme voor Kuyper de beste basis voor een goed functionerende samenleving en een de voornaamste religieuze motor voor een beschaving.
Over het algemeen een interessant boek om te lezen, het calvinisme is intellectueel een stuk rijker dan ik altijd dacht. Toch is het jammer dat Kuyper, een erg intelligente man niettemin, zo veel refereert naar de grootsheid Gods en dat de wil van de mens geproduceerd wordt door God. Hij lijkt niet in te zien dat religie een pragmatisch middel is voor het functioneren van een samenleving en niet dat God daadwerkelijk buiten het denken van de mens bestaat. Het calvinisme was een groot onderdeel in de geschiedenis van Nederland, en zijn nog steeds waarneembaar in de wortels van onze huidige samenleving.