Vijf sterren, niet om de standaarddeviatie lekker tegendraads op te schroeven, maar omdat dit boek me raakt. Om velerlei redenen. Allereerst het dialect. Als twiniger kocht ik voor een gulden de Nimmer Dralen-versie van het boek. Ik kende de titel natuurlijk van de populaire tv-serie uit de jaren tachtig, met hoofdrollen voor Kitty Courbois, Thom Hofmann en Sjoerd Plaisier. Maar het boek...ik kwam er niet doorheen. Het dalect was een niet te nemen hindernis. Kennelijk heeft het bijna drie decennia moeten duren voor het me lukte. Gewapend met een veel grotere woordenschat en vooral ook enig inzicht in historisch Nederlands, las ik de roman fluitend in één ruk uit. En net als in Stiijn Streuvels' en Felix Timmermans' werk geniet ik van de archaïsmen, de dubbele ontkenningen en de schier oneindige rijkheid van de Nederlandse taal. In deze tijd accepteert de lezer dat niet meer, maar in 1925 werd de weergave van authenticiteit in taal nog gewaardeerd. Welnu, ik kan me dat levendig voorstellen.
Authenticiteit. Daar loopt het boek van over. In de jaren '20 en '30 waren Menno ter Braak en Eddy du Perron die in de 'vorm of vent"-discussie aan de VENT-zijde stonden. Niet de vórm van de poëzie of het proza was bepalend, maar de inhoud. En uit die inhoud moest blijken dat de auteur een VENT was: proza over authentieke protagonisten. Welnu, Gieljan Beijen, hoofdpersoon uit Het wassende water IS een 'vent.' En ook een prozaheld van zijn tijd, want hij vertoont in zijn stijfkoppigheid, zijn starre overtuigingen, zijn lichaamskracht, zijn intuïtie duidelijke overkomsten met boer wortel (Timmermans - Boerenpsalm) en de hoofdpersonen van Van Schendels helden uit zijn Hollandse romans uit de jaren '30.
Nota bene:
Wie de serie heeft gezien, kan dit boek gerust lezen. De serie blijkt een zeer vrije interpreatie van het boek. Het vreemdgaan van vrouw Beijen met de zeeman, de jeugdjaren van Gielkan en Willem Beijen, het komt in het boek niet voor. Daarentegen wordt het verhaal een stuk groter gemaakt: waar de serie nogal plaatselijk blijft, gaat het boek vanaf p. 100 diep in op Gieljans ontwikkeling van boer, tot heemraad, tot dijkgraaf. Het hoogtepunt speelt zich af tijdens een periode van extreem hoogwater, waarin Gieljan zich moet bewijzen.
Voor wie niet op de hoogte is van de etymologie van het woord 'poldermodel', vormt deze romanpassage een leerzaam moment. Want van een impulsieve doener, ontwikkelt Gieljan zich tot een communicatief wonder die moeiteloos zowel een college van hoge heren, als een meute woedende boeren weet te overtuigen. Een vent!
Als lezer van 2019 heb ik er moeite mee dat de woelige baren van Gieljans gepassioneerde liefde niet de rode draad in het verhaal blijft. Zinnelijke en lichamelijke driften spreken me meer en komen mij als levensdrijfveer geloofwaardiger over dan religieuze twijfel. Maar voor een tot het katholicisme bekeerde Jood als Herman de Man lag dat waarschijnlijk anders. Zijn bespiegeling van religieuze authenticiteit in het laatste hoofdstuk vond ik dan ook niet zo verrijkend. Wellicht moeten we dat aspect ook bekijken vanuit het perspectief van 1925.
Al met al, dikverdiend vijf sterren, voor een prachtig Hollands, auctoriaal verteld verhaal.