De taalgraver, taalkunstenaar, onderzoeker, statisticus, de talig-speelse Hugo Brandt Corstius, in dit geval schrijvend onder pseudoniem Battus, presenteert een 676 pagina’s tellend vervolg op zijn Opperlandse taalboek uit 1981. Ja, alleen al het pagina-aantal is een aardigheid. Hij heeft zijn boek gepagineerd met alle combinaties van twee letters in alfabetisch-lexicografische volgorde; dat levert 26 x 26 = 676 pagina’s. Hij is virtuoos, nu overigens, anders dan in zijn ‘Opperlandse taal- & letterkunde’ uit 1981, geholpen door computer en internet. Hij heeft niet alleen veel palindromen verzameld, die hij symmys noemt, hij heeft over alle mogelijke eigenaardigheden en bijzonderheden van onze taal op letter-, woord- en zinniveau wel iets verrassends te berde te brengen. En bijna alles heeft een dubbele bodem. Zo zit in zijn uitleg van verschijnselen vaak al de toepassing van het verschijnsel dat hij uitlegt.
In de spil van het spel met taal zit de as van speelsheid, waarmee centrifugaal, soms monovocaal, op wervelende wijze, soms op de wijze van de wiskunde, de taal benaderd en uitgestrooid raakt. Het is afwisselend - of een combinatie van - komisch, ingenieus, doordacht.
Battus protesteert wel eens besmuikt over een spellingwijziging. Zo schrijft hij bijvoorbeeld dat een kraai tegenwoordig neieren legt.
Dat ik ogenschijnlijk ruim een decennium nodig heb gehad om het geheel van deze virtuozetaalbijbel te doorvorsen, ach, dat komt omdat ik als een dwaalgast flierefluitend doorheen het boek spreeuwde (mij erdoor bewoog als in de barokke dans van een zwerm spreeuwen), fragmenten tot mij nam, terugfladderde naar een andere taalflonkering en zo voort naar ’t volgend talig schijnsel. JM