Ik hou van mensen met een uitgesproken mening, zolang dit maar niet ten koste gaat van een zekere nuance. Opinies zijn in de eerste plaats keuzes. In het beste geval liggen daar enkele feiten aan ten grondslag, maar zelfs dan mogen we die opinies niet verwarren met die feiten zelf. Opinies vertellen ons vooral iets over de manier waarop we met die feiten wensen om te gaan. En daarin spelen persoonlijke ervaringen en voorkeuren steeds een grote rol. Dat kan ook niet anders en daar is op zich niets mis mee, zolang we dit maar blijven beseffen. Dit gezegd zijnde, had ik vaak een heel dubbel gevoel bij dit boek, dat een aantal uiteenlopende essays rond het thema feminisme bundelt.
Toch heb ik er geen spijt dat ik dit werk las. Jolande Withuis schrijft vaak zeer verhelderend over het feminisme en op dat punt leerde ik zeker één en ander bij. Zo leerde ik dat in het feministisch ideeëngoed twee historische denkrichtingen te ontwaren vallen: ‘de ene legt de nadruk op de culturele en historische verscheidenheid van aan de seksen toegeschreven eigenschappen; de ander gaat uit van een sekserschil en wenst opwaardering van de geminachte vrouwelijke factoren.’ (p.28) Zelf rekent de auteur zich overduidelijk tot de eerste stroming en ziet met lede ogen ‘dat nu opnieuw feministen streven naar het opwaarderen van een vermeende vrouwelijkheid in plaats van naar opheffing van het sekseonderscheid.(p.38)
Ze vervolgt: ‘Dat ‘diversiteit’ inmiddels het voornaamste argument is om een ruimere aanwezigheid van vrouwen in werk en andere openbare posities te eisen, illustreert deze wedergang. Naar mijn overtuiging schaadt het uitgangspunt ‘diversiteit’ de belangen van vrouwen en meisjes.
Diversiteit gaat – de term zegt het al – uit van het verschil en in de bijhorende propaganda wordt vrouwen dan ook een speciale inbreng toegeschreven. Zo vielen in de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van voor jaar 2021 hoopvolle geluiden te beluisteren over het nieuwe ‘vrouwelijke’ leiderschap van D66-lijsttrekster Sigrid Kaag. Haar wijze van politiek bedrijven zou minder hard zijn. Maar vrouwen horen minister-president te kunnen worden omdat ze de gelijken zijn van mannen, niet omdat ze ‘anders’ zijn.’ (p.38)
Er valt zeker iets te zeggen voor de argumentering van Withuis: ‘Ik acht ophemeling van vermeende vrouwelijke eigenschappen een valkuil, omdat dit de seksedichotomie continueert die nu juist zou moeten verdwijnen. Zichzelf als geminachte soort in de adelstand verheffen levert winst op in zelfbewustzijn en genoegdoening, maar reproduceert de categorisering en gelijkschakeling van vrouwen in plaats van ze tot individu te maken.’ (p.28-29)
Op p.101 omschrijft ze vervolgens haar visie nog eens kort en bondig: ‘Feminisme is voor mij het streven de maatschappelijke betekenis van het sekseonderscheid op te heffen. Het is voor mij het sluitstuk van de individualisering om mensen te zien als persoon in plaats van als lid van een sekse.’ In het verlengde hiervan gaat ze ook – vooral in de tweede helft van dit boek – in op de gevaren van het identiteits-denken dat vooral de laatste jaren zo sterk zijn opgang maakte. ‘Identiteitspolitiek doet alsof het vanzelf spreekt dat iemands huidskleur, geloof, sekse of seksuele smaak zijn wezen vormt. Maar identiteiten zijn fluïde en kunnen door de tijd heen veranderen.’ (p.115-116) Ook deze passages leveren vaak interessante stof tot nadenken op.
Tot zover wat ik waardeerde aan dit boek. Ergerlijk daarentegen vond ik de doorheen het boek steeds terugkerende uitvallen van Withuis naar het communisme. Nu heb ik zelf niets met de communistische ideologie, maar haar te pas en onpas opduikende kritiek valt behoorlijk eenzijdig en ongenuanceerd te noemen. Meerdere keren zag ik ook de meerwaarde - in het kader van het onderwerp feminisme - niet. Het ware op zijn minst eerlijk geweest om het dan ook over de invloed van het kapitalisme op het feminisme te hebben of een afzonderlijk essay te weiden aan de wisselwerking tussen ideologische kaders en feminisme. Nu voelde dit meer als een afrekening met haar ouderlijk milieu (haar vader en moeder waren vurige aanhangers), dan als iets anders.
Wat valt er verder nog te zeggen over deze essays: Het deel over het schrijven van biografieën was niet oninteressant, maar leverde me niet directe nieuwe inzichten op.
Ook de in deze uitgave opgenomen drie open brieven (aan Ana Pauker, Simone de Beauvoir en Ayaan Hirsi Ali) ervaarde ik, hoewel ze aangenaam lezen, als te beknopt en weinig uitgewerkt om echt te boeien.
Het stuk over borstkanker tenslotte (‘Zonder borsten geen vrouw? Seksisme vermomd als compassie’) vond ik eveneens wat een misser. Jolande Withuis gaat ook hier wat kort door de bocht. Natuurlijk ben je na een borstamputatie niet vrouw af, maar ik kan me voorstellen dat een man die – ik zeg maar wat – een arm verliest, zich nadien toch ook mogelijks wat minder man voelt. We moeten daar niet flauw over doen, je verliest hoe dan ook aan aantrekkelijkheid. En in mijn werk ervaar ik al jaren dat veelal de vrouwen zelf het daar lastiger mee hebben dan hun partners. Het zijn zelden de partners die aansturen op een borstreconstructie.
Essays zijn geen wetenschappelijke verhandelingen. Sterke essays worden vaak juist gekenmerkt door een grote mate van subjectiviteit. Een essayist gooit zichzelf in de strijd en neemt moedig een standpunt in. De bedreven beoefenaars van dit genre counteren dit vaak met een zekere vorm van (zelf)relativering en humor. Nu ik dit hier zo noteer, constateer ik dat meer nog dan de nodige nuance, ik vooral dat laatste node miste in dit boek. Withuis neemt zichzelf zo ernstig.