‘Ze hadden de man van de landsvrouw opgehangen. Niet dat hij gevochten had tegen iemand.’
Het begint moeizaam. Schokkerig, met korte zinnen. Het zijn korte zinnen uit simpele woorden, waarin toch iets ongewoons de aandacht trekt. Waardoor je voelt dat er meer gaat komen, dat het loont door te lezen.
Dus ze gaan op weg met de boerenwagen; twee soldaten en de landsvrouw, die een bijl meesmokkelt tussen een paar hooibundels en bidt tot God ‘om de kracht gerechtigheid te doen en niet week te worden.’
Dan zijn we nog maar net op weg, op de eerste bladzijd;, richting het bos dat het dorp omringde. Een van de twee soldaten wordt plotseling ‘Het kleine soldaatje’; een broekie, een melkmuil, een uitschraapsel, de ander wordt ‘de gewonde Duitser’:
‘een enkele keer duwde hij zich op zijn ellebogen over het schot, sloeg zijn hoofd naar achteren, rochelde en spuugde bloed. Zij voelde geen medelijden. In haar wereld was geen plaats voor gevoel.’
Soldaat-soldaatje doet aandoenlijke pogingen toenadering te zoeken, de landsvrouw gerust te stellen, terwijl zij, de weduwe, slecht minachting heeft voor zijn angst en zwakheid. Een dialoog is onmogelijk omdat ze elkaars taal niet spreken en de landsvrouw bovendien bewust verwarring sticht in de spaarzame zinnetjes die worden uitgewisseld. Soldaat-soldaatje blijft naïef zijn best doen terwijl de Duitser achterin ondanks zijn doodstrijd meer opmerkt, maar geen actieve rol meer kan en wil spelen. Al stervende is hij de toeschouwer bij het werkelijke drama (in de goede betekenis van dat woord) tussen landsvrouw en soldaat-soldaatje.
Beide weten meer dan ze denken. Of weten niet wat ze voelen. Er is een dieper gevoel dat hen voortdrijft zonder dat ze dat beseffen, omdat ze zicht afschermen met een oppervlakkig denken, datgene wat ze denken te denken, denken te voelen, waarmee ze zichzelf overtuigen dat ze gaan doen wat ze van plan denken te zijn, terwijl dat diepere hen ergens anders heenvoert.
Het drama wordt ons verteld door een alwetende verteller die slechts iets meer weet dan de landvrouw en soldaat-soldaatje. De verteller volgt hun gedachte (dat wat ze denken te denken) en vertelt ons dat, ietwat gefilterd, maar zonder interpretatie, tegen beter weten, zo lijkt het soms:
‘Met een hand greep ze zijn beide stokjes van armen vast en kneep zo stevig dat hi begon te kermen. Hij liet zijn hoofd zakken op haar borst, in de gleuf van haar kalm glooiende maar vieze boezem. Zijn ogen puilden uit hun kassen. Hij stamelde wat en plotseling was hij willoos en gedwee. Hun gestoei veroorzaakt door haar tegenstribbelen vatte hij verkeerdelijk op als plagerij en zelfs als een boerse uiting van haar genegenheid. Onderuitgezakt zat hij daar, hij gaf nog geen kik. Hij durfde het niet aan een onbeschaamde beweging of gewaagde toespeling te maken. Hij ademde door zijn mond door haar katoenen jurk.
De puls van de lauwe mannelijke ademhaling drong door tot op de huid van de vrouw. Ze was blij dat ze het Duitsertje niet van nabij kende. En dat ze hem ging doden voordat twijfels de kop op konden steken.’
Naarmate de reis vordert worden de zinnen vloeiender, de gedachten complexer. Tegen het einde sluipt het schokkerige terug de zinnen in. Dan lijkt het alsof we weer op dezelfde plek zijn aangeland. Maar er is veel veranderd.