Ziedaar, onderweg naar en rijdend door Frankrijk: een gezin, bestaande uit Klaas en Maja Welling en hun drie kinderen. Klaas is schrijver/ tijdschriftredacteur, Maja was schrijver. Zij krijgen autopech. Maja en de kinderen rijden verder met vrachtwagenchauffeur Joop, Klaas reist hen na naar hun vakantiehuis, dat wordt beheerd door een ouder echtpaar. Klaas heeft de dichter Mork ontdekt en gaat naar die persoon op zoek. Achter elke zin zit een verhaallijn, en er zijn er nog meer. Deze raken elkaar, hebben interacties, vaak op het grensvlak van verteld feit en vertelde fictie. De vertelde fictie bestaat bijvoorbeeld uit de verhalen die Joop aan Maja en de kinders vertelt. Die bestaat ook uit de opgespoorde gedichten van Mork. Vervolgens wordt het de vraag welke feiten schuil gaan achter de auteur van die gedichten en of het auteurschap ervan soms gefictionaliseerd wordt door andere personages in de roman. Andersom maken leden van het gezin dingen (feiten) mee die verrassende overeenkomsten vertonen met verhalen (fictie) van de chauffeur. Dat laatste stimuleert dan weer dat Maja die optekent en laat uitgeven. Nog iets: Klaas begint, desgevraagd door zijn uitgever, aan een detective, en terwijl die moeizaam vordert, komt de spanning in de roman vervolgens uit een heel andere hoek: een van de spanning-lijnen houdt verband met de vertelde feiten omtrent zijn speurtocht naar de persoon achter de gedichten voort. Allemaal knap gedaan.
De boektitel is een mooie vondst over het brede grensvlak tussen feit en fictie: op meanderende snelwegen in Frankrijk laat men de even kronkelende gedachtegangen de vrije loop, wat later een samenloop geeft. JM