“Kamp Erika”, het verslag van Hester den Boer over een door haar gedurende bijna vijf jaar ondernomen ‘zoektocht’, heeft als ondertitel ‘Het oorlogsverhaal van mijn opa en het Nederlandse kamp dat verzwegen werd’. Wat haar zoeken, haar speuren –in archieven, maar ook in de vorm van interviews– heeft opgeleverd, is alleszins die moeite waard geweest en het is zonder meer boeiend te lezen wat ze daarover allemaal op schrift heeft gesteld.
Haar verslag is natuurlijk veeleer het resultaat van journalistieke dan van wetenschappelijke onderzoeksinspanningen en is bovendien sterk persoonlijk van aard, maar mijns inziens had het hoe dan ook allemaal best wat strakker gekund. Dat komt om te beginnen doordat ze niet vertrekt uit een of meer specifieke (onderzoeks)vragen. Den Boer is geïnteresseerd in de handel en wandel van haar opa tijdens de Tweede Wereldoorlog en wil weten hoe het hem daarvóór en daarna is vergaan in zijn leven, maar haar belangstelling geldt evenzeer het reilen en zeilen binnen het concentratiekamp (Kamp Erika) waar opa zou hebben verbleven en in de gevangenen en bewakers aldaar, alsmede de achtergronden van de verregaande onbekendheid van het kamp. Ze wil veel, heel veel achterhalen, uitzoeken en waar mogelijk ook nog eens verklaren. Het verloop (maar in het verlengde daarvan ook het verslag) van haar onderzoeksinspanningen te dier zake is weinig gestructureerd, een en ander lijkt haar tot op zekere hoogte te zijn overkomen, mede van toeval afhankelijk te zijn geweest. Van mogelijke zelfkritiek met betrekking tot die ‘methodische’ gang van zaken is in feite geen sprake. Zo had ze toch, om een voorbeeld te noemen, wel even mogen stilstaan bij het probleem van selectiviteit dat zich voordoet als ze de door haar getrokken steekproef van in het Nationaal Archief bestudeerde kampbewakers vergelijkt met (proef)personen die blijkens de uitkomsten van allerhande onderzoek bepaalde morele grenzen al dan niet overschreden.
Nogal kritiekloos is Den Boer ook wanneer ze, in haar niet te stillen honger naar verklaring van hetgeen zich zoal zou (kunnen) hebben voorgedaan, aansluiting zoekt bij bevindingen die zijn opgedaan in –veelal tientallen jaren geleden uitgevoerd, niet zelden beroemd of berucht– onderzoek van anderen. In het werk en de ervaringen van de desbetreffende psychologische en sociaalpsychologische wetenschappers, deskundigen uit de wereld van de hulpverlening, trauma-experts e.d. lijkt ze door de bank genomen bevestiging te zoeken van opvattingen die ze er toch al voorzichtig op nahield en die goed passen bij de door opgedane bevindingen. Een beetje gênant is het als ze daarbij klakkeloos een nietszeggend, zweverig therapeutenjargon overneemt. Ook in andere opzichten valt er trouwens nog wel wat op de tekst van “Kamp Erika” aan te merken. Soms zijn daar lelijke constructies van het type ‘ondanks dat …’ en onderzoek ‘naar hoe …’, maar het ligt misschien aan mij dat ik me daaraan stoor. Ik lees echter ook meer dan eens dat iemand een akelig gebeuren aan zichzelf te ‘danken’ heeft in plaats van te ‘wijten’, en namen blijken niet altijd consequent geschreven – waardoor men als lezer bijvoorbeeld niet weet of het bij Burger en Burgers om één en dezelfde persoon gaat. Een personenregister had zulke ongemakken wellicht kunnen verhelpen, en weergave van een stamboom van de familie Den Boer had ik, gezien haar complexiteit, ook wel op prijs gesteld.
Wie na lezing van het bovenstaande de mening zou zijn toegedaan dat ik het allemaal maar niks vond, het oorlogsverhaal dat Hester den Boer heeft geschreven, zit er volkomen naast. Ze is erin geslaagd in “Kamp Erika” een mooie verzameling wetenswaardigheden en indrukwekkende verhalen te presenteren.