What do you think?
Rate this book


216 pages, perfect paperback
First published January 1, 1982
'Een dichter die van een schilder houdt ontkomt er niet echt aan om de schilderijen van die schilder als levende wezens, misschien wel als personen te zien, en als dat niet mag in ieder geval dingen met een eigen universum waarop het schilderij een blik gunt.' p.22Nooteboom reist over de hele wereld. Borneo, Thailand, Parijs… Als je deze essays achterelkaar leest, concludeer je dat wat hij overal tegenkomt is uiteindelijk zichzelf. Het zijn innerlijke passages voor hem. Soms is Nooteboom geestig, soms filosofisch, altijd erudiet. Zelf heb ik vooral genoten van wat hij schreef over kunst, maar ook toen ik essays las die me minder hebben geboeid, kwam ik steeds, ineens, een briljante passage tegen waardoor het allemaal meer dan de moeite waard was om te lezen. Het liefst zou ik hier het hele boek willen citeren…
'Het is nu eenmaal zo - sommige schilders vinden een licht uit voor zich zelf, een licht dat niet echt in de natuur bestaat. Dat licht is hun gedachte over de wereld: zo zien zij de wereld. De beschouwer kan zich daaraan niet onttrekken.' p.28-29Dit is het licht van Cees Nooteboom. Hij is nu bezig met zijn laatste passage…

'Wolken in tinten van grauw en wit en opgedroogd bloed herbergen al die rondspattende allegorische figuren, maar ook de werelddelen zelf zijn door die beweging aangeraakt: vogels vliegen op, de hoofdtooi van de Indianen wordt achterovergebogen door een kosmische wind, een vis stijgt rechtstandig omhoog, gerafelde vaandels wapperen, de vettige walm van een toorts volgt Amerika's vinger, een aap houdt een struisvogel vast aan zijn opgebolde kinderrok, en dat alles gebeurt tegelijkertijd, in de ijskoude winterstilte op een Duits paleisplafond.' p.19Over het beeld ‘Jason’ van Roel D’Haese
'Ik loop als een kip heen en weer over de versierde omloop, probeer in mijn reisgids te lezen, probeer fragmenten te zien, probeer het geheel te zien, probeer niet naar de snerpende Duitse stem van een gids te luisteren, maar het is te veel, dit zijn tientallen Nachtwachts, hier zou je een week voor nodig hebben.' p.20


'Later ontmoet ik, voor het eerst in jaren, Roel D'Haese zelf. Hij is kleiner dan zijn beeld, en lijkt een creatie van zichzelf, alsof hij zichzelf ook gebeeldhouwd heeft en in zichzelf dezelfde samengebalde kracht gelegd heeft als in zijn beelden. Hij loopt naast mij met zijn krabachtige gang, niet helemaal die van andere mensen, luistert zwijgend naar mijn lyrische litanie en laat mij mijn interpretaties. Het enige dat hij zegt heeft die essentie van een spreekwoord, de pijl in de roos: 'mythologie is het voortbestaan van pertinente dingen in de wereld'.' p.46Andere citaten
'...gruwelijk, zo'n eindeloos lang schildersleven in een paar zalen bijeen. Je ziet hoe iemand zijn thematiek - die hij natuurlijk zelf is ontdekt, ontwikkelt, uitwringt. Als je voor die doeken staat is het net of het er niet toe doet dat de schilder ook nog geleefd heeft, gegeten en gedronken: er is alleen maar dit overgebleven' p.22
'Het kenmerk van grote kunst is de verbijstering die zij altijd oproept. Verbijstering dat er aan al het omringende getornd en gescheurd wordt, dat de bindmiddelen van al wat er omheen is loslaten, dat er iets niet meer klopt aan het begrijpelijke, en dat men zich vast zou moeten houden.' p.44
‘Als kunst groot is verslaat zij zelfs haar maker. Zijn naam blijft hangen om wat hij gemaakt heeft, maar tegelijk is het alsof het nooit gemaakt was, of het altijd al bestaan heeft, of het idee van een maker er uit verdwenen is.' p.48
'Isfahan, Samarkand, de Vallei van de Rozen, de klank heeft gezorgd dat het idee van de plaats bleef hangen en iedereen die wel eens last heeft van reiskoorts kent het verschijnsel - je spreekt die geheimzinnige woorden hardop voor jezelf uit, bijna als een bezwering: Guadelaja, Manaos, Macao, Aranjuez, Titicaca, Brindisi, Tierra del Fuego, vocalises, hele kleine stukjes muziek, woorden die je op een instrument zou kunnen spelen.' p.86
'Ik ben er nog niet, mijn verlangen lanterfant nog ergens op een strand en zoekt schelpen, mijn herinnering dwaalt lui over een markt, mijn gedachten lopen in een bos en luisteren naar krekels, de puzzel die ik ben is uit zijn doos gevallen, er zijn stukjes weg, vanavond, morgen, overmorgen zal ik ze bij elkaar zoeken en in elkaar passen, ik zal mijn gedachten bij mijn herinnering doen en mijn herinnering weer bij mijn verlangen [...]' p.99-100
'Ouder worden is een vorm van sterven. Ik bedoel dat natuurlijk niet tragisch, anders houd ik mijn mond wel. Het is meer de bedoeling om iets uit te leggen omtrent de verandering, in dit geval die van de skyline van Parijs. [...] Wat dat met oud worden als vorm van sterven te maken heeft? Dat er ooit een mythische eerste keer is geweest dat je Parijs hebt zien liggen, en dat je je, vijfentwintig jaar later, niet meer voor kunt stellen hoe dat eruitzag. Dat beeld is weg, voorgoed verdwenen, overwoekerd door latere beelden, steeds andere, en met die verdwijning is ook degene verdwenen die het gezien heeft, ik dus.' p.116-117
'Grote steden: al die slachtoffers zonder misdaad. Zwervers, mompelaars, clochards, mensen die zo verschillend zijn dat ze onverschillig zijn geworden voor de wereld. Elke dag komt in het café om de hoek een vrouwtje van vijftig dat eruitziet als honderd, of een vrouwtje van honderd dat eruitziet als vijftig, dat is niet meer vast te stellen. Ze zweeft een beetje, haar weinige haar is blond geverfd, ze is heel zorgvuldig, maar een beetje dwaas opgemaakt, en ze bestelt haar vele cognacjes met een hoge kinderstem. En elke dag heeft ze een vers verband om haar polsen.' p.127
'Het is een stupide misverstand dat alleen wat echt ver weg is exotisch zou zijn. Exotisch is dat waar je in principe geen deel aan kunt hebben.' p.158