`We kunnen er niet we beleven emotionele tijden. Waar men ook kijkt, commotie is de norm, intensiteit de vorm. Zo begint het nieuwe boek met essays van Stefan Hertmans, waarin hij ons verlangen naar een arcadisch bestaan fileert. Waarom moeten we alles wat we van waarde achten seksualiteit, identiteit, kunst en literatuur, sociaal engagement onophoudelijk opfokken voor het grote doel? Kunnen we de dingen niet meer in hun waarde laten zonder ze uit te kauwen? Wellicht hebben we zo n intens gevoel van verlies, omdat we voortdurend een fictieve persoonlijkheid najagen. Het is niet verwonderlijk dat Hertmans in dit boek uitgebreid aandacht besteedt aan kritische schrijvers als Michel Houellebecq, Søren Kierkegaard en W.G. Sebald, over wie hij met grote instemming schrijft.
Stefan Hertmans is a Flemish Belgian author, poet and essayist. He is the author of a literary and essayistic oeuvre - including poetry, novels, essays, plays, short stories. His poetry has been translated into various languages and he has taught at the Ghent Secondary Art Institute and the Royal Academy of Fine Arts in Ghent. He has given lectures at the Sorbonne University, the universities of Vienna, Berlin and Mexico City, the Library of Congress in Washington D.C. and University College London. His work has been published in The literary Review (Madison) The Review of contemporary fiction (Illinois) and Grand Street (New York). He was awarded the ECI Literatuurprijs and the Golden Book Owl Audience Award for War and Turpentine, a novel based on his grandfather's notebooks recollecting his time before, during and after the First World War.
Stefan Hertmans is een Belgisch schrijver, dichter en essayist.
Hij is auteur van een literair en essayistisch oeuvre (poëzie, roman, essay, theatertekst, kortverhaal) dat hem in binnen- en buitenland bekend maakt. Zijn gedichten en verhalen verschenen in het Frans, Spaans, Italiaans, Roemeens, Kroatisch, Duits, Bulgaars. Hertmans doceerde aan het Stedelijk Secundair Kunstinstituut Gent en de Koninklijke Academie voor Schone kunsten (KASK, Hogeschool Gent) en leidde er het Studium Generale tot oktober 2010. Hij gaf lezingen aan de Sorbonne, de universiteiten van Wenen, Berlijn en Mexico City, Library of Congress (Washington), University College London. Zijn werk verscheen onder meer in The literary Review (Madison) The Review of contemporary fiction (Illinois) en Grand Street (New York). Hertmans werkte mee aan tijdschriften zoals Raster, De Revisor, Het Moment, NWT, Yang, Dietsche Warande & Belfort, Poëziekrant en Parmentier. Van 1993 tot 1996 was hij redacteur van het Nederlandse tijdschrift De Gids, hij recenseerde voor De Morgen en schreef de boekenbijlage van De Standaard. In Nederland publiceerde hij in Trouw.
In 2017 werd hij Commandeur in de Kroonorde. Stefan Hertmans is een Vlaams schrijver, dichter en essayist.
Leerrijk, ik denk specifiek aan dit deel uit het boek.
'Het is juist dat gelaat dat we de zetel van het mens-zijn noemen – juist dat moet blijkbaar kapot. Ongerepte schoonheid vraagt om inbezitneming, desnoods met geweld, desnoods ten koste van wat op het spel stond. Liever kapot dan niet van ons: zo luidt het devies van de rancuneuze mens die de wereld ziet als een aanfluiting voor zijn machteloosheid tegenover het schone en de onvatbare, hem uit het lood slaande verschijning daarvan. Hij kan niet leven en laten leven, maar wil schenden wat hij laat leven, omdat het ongeschondene aan zijn macht ontsnapt. Eigenlijk vormt dit een gruwelijke les in de duistere roerselen van elke esthetica. Het suggereert dat aan alle kunst, antropologisch gesproken, een vorm van ressentiment ten grondslag ligt, die op de fixatie op de schoonheid en de drang naar overheersing ervan steunt. De talloze figuranten op de vaak adembenemende schilderijen van Giotto, Piero della Francesca, Perugino en zovele anderen hadden nog tot doel de vergankelijke menselijke schoonheid te vereeuwigen, te redden voor de doem van het verval. Maar gaandeweg de kunstgeschiedenis zien we dat de verering van het schone uitgeput raakt. Dat heeft de evolutie van de kunst na de romantiek overtuigend aangetoond. Na de uitputting door het effect van het sublieme, werd in het modernisme alleen nog het verbrande gezicht van de schoonheid getolereerd, volgens het adagium dat alleen een expressionistische ‘schreeuw’ de intensiteit van het moderne leven nog kon weergeven. Thomas Mann klaagde in zijn roman Dokter Faustus reeds aan dat de moderne kunst aan een systematische schending van het schone en het harmonische deed. Het tonen van anti-schoonheid omwille van de waarheid van de kunst werd het kernleerstuk van alle avant-gardes. Veel van de conservatieve kunstkritiek heeft zich op een redenering gesteund die verwant was aan de Faustus-kritiek van Thomas Mann. Het werk van Picasso werd lange tijd om die iconologische reden verketterd: de gezichten waren vervormd, dus geschonden. Ze toonden volgens een aantal conservatieve auteurs dat deze man moreel niet in de haak was. Schoonheid in de moderne kunst draagt niet alleen oeroude antropologische sporen in zich, het herhaalt ook keer op keer het drama van Medusa. Wie vertrouwd is met de talloze fresco’s in kerken uit de orthodoxe wereld, van Macedonië via Griekenland tot Greorgië, kent de steeds terugkerende iconen met uitgestoken ogen. Het overgrote deel van de afbeeldingen van heiligen werd systematisch geschonden, of de daders nu communisten, atheïsten, islamieten of banale cultuurbarbaren waren: die ogen moesten er telkens uit.' p.264-266
Essays met verwijzingen naar o.a. Sebald, Nietzsche, Kierkegaard, Sloterdijk en Martha Nussbaum. Van de eerste 4 heb ik al iets gelezen. Nu misschien een boek van Nussbaum.