Hartverwarmende roman over de belevingswereld van Kees Bakels, een jongen met het hart op de juiste plek. Inmiddels iets meer dan een eeuw oud, maar leest nog steeds als een trein. Om te smullen is het bij vlagen heerlijk oubollige taalgebruik:
“‘Och, boer’, zei Kees vol minachting, ‘ik heb niemand z’n centen nodig, boerenkarhengst, wor jij maar bedelaar, je zal nog ‘es zien wat ik word.’”
…
“De schilder zei tegen Jansen: hier een dubbeltje, haal jij es een half ons baai voor me, ik heb natuurlijk weer m’n tabak vergeten.”
Kees is te goeder trouw, zorgzaam en beschermend naar zijn ouders, broertje en zusje. Met veel flair verzamelt hij postzegels, is leergierig en een stuk volwassener dan zijn leeftijd doet vermoeden.
Prachtig zijn Kees’ ervaringen met het slepende ziekbed van zijn vader. Doordat het vanuit zijn perspectief is beschreven, ga je er als lezer volledig in mee. Het is een buitengewoon intelligente en invoelende jongen en hij komt al op jonge leeftijd in een betrekking als jongste bediende bij een koffiefirma, terwijl hij in de wolken is door zijn charmante klasgenote Rosa Overbeek.
Het verhaal is gesitueerd in de Jordaan en daardoor zeer herkenbaar. Kees’ ouders hebben een schoenwinkel in de buurt van de Westertoren.
Hij doet veel boodschappen voor zijn ouders en loopt wat af, vaak in de klassieke ‘zwembadpas’.
Het doet me in bepaalde opzichten denken aan de verhalen van (Thijssen-fan) Carmiggelt. Niet alleen de setting in Amsterdam, maar ook qua subtiele, onderkoelde humor.
Kees de jongen hoort bij de canon van Amsterdam en ik zal voortaan op een andere manier langs het beeld van leraar, politicus en schrijver Theo Thijssen lopen op de Lindenmarkt.