Uit de gedenkschriften van de 41-jarige Sabine Arnauld blijkt duidelijk de invloed van een rigoureuze opvoeding, haar angst voor een strenge, straffende God, en haar schuldgevoel, nadat haar man en haar kind sterven. Ze treedt in het klooster, maar na een religieuze crisis maakt ze een zwerftocht tot in het Verre Oosten. Een door Rome geëxcommuniceerde Chineese priester leert haar om haar geestelijke hoogmoed af te leggen. Geloof wordt hoop, en nadien liefde.
Niet het gemakkelijkste boek van Maria Rosseels, maar wel een ontzettend mooi, filosofisch getint verhaal. De hoofdpersoon is iemand die constant op zoek is naar zichzelf en naar God, en die zoektocht is elke keer uitstekend uitgewerkt. De vraag van de moderne mens naar het bestaan van God wordt aan de orde gesteld. Heel nauw daaraan verbonden speelt de vraag naar de oorzaak van het lijden én naar het nut van het lijden een rol. Op schrijnende wijze wordt hier de vraag gesteld naar een juist begrepen Godsbeeld, dat niet te benaderen is met westerse normen, maar alleen als transcendentie aanvaard kan worden. Conclusie: prachtig boek, bizar einde, zeker het herlezen waard.
Beklemmend en beklijvend, dit boek keerde mijn blik naar binnen, Sabine volgend in haar niet aflatende vertwijfeling. Nooit eerder zat een auteur zo dicht op mijn huid. Illusies en hersenspinsels, onvaste bodem onder de etherische voeten, hoe kon ik zo vele jaren zo blind geloofd hebben? Sabine’s radeloze medogenloosheid voor zichzelf, ik herkende het met de weeë geur van gestikt wasgoed in de neus
De roman heeft een inleiding en een slot. Hier gaat het niet om de hoofdpersoon, maar om haar broer. Het gaat over Nicolas Arnauld. Hij leest de levensbiecht van zijn jongste zuster Sabine. Na die lezing is er wat met hem gebeurd. Was hij, de jonge bisschop, eerst van plan zijn ambt neer te leggen, dan verscheurt hij, na Sabines geschiedenis te hebben gelezen, zijn ontslagbrief. Hij weet nu dat zijn zuster in de laatste dagen van haar leven onbewust het doel heeft bereikt, waar ze zo smartelijk naar verlangd heeft. Aanvaarden tegen angst en twijfel, dat deed Sabine. Nevelen bedekken nu nog Gods gezicht, maar ze zullen eens verdwijnen. Wanneer? Dat doet er niet toe.
De roman zelf, de levensbiecht van Sabine, begint met de geschiedenis van de Arnaulds, die indirect zijn verwant aan het beroemde geslacht van de Jansenisten, de Arnaulds van het 17e eeuwse klooster Port Royal. Gevlucht voor de Revolutie vinden ze in de Zuidelijke Nederlanden een toevlucht. Het gezin woont op het vervallen voorvaderlijk kasteel, is arm, maar draagt die armoede met waardigheid. De vader is burgemeester; trots op zijn afstamming houdt hij tradities in ere. Het gezin telt zes kinderen. Daniël, de oudste en de erfgenaam, Marie-Anne, die droomt van weelde en avontuur, Simon, de toekomstige militair, Gertrude zijn tweelingzus die droomt van een leven in het klooster, Nicolas, de toekomstige priester en Sabine. Op haar negende jaar wordt Sabine ziek. Men vreest voor hersenvliesontsteking, maar men meent later dat het kinderverlamming is geweest – een toen nog weinig bekende ziekte. Sabine komt er door heen, maar ze voor haar leven aan beide benen verlamd blijven. Als ze dat weet, wordt ze vervuld met zelfmedelijden en pas Simon een beroep op haar doet om zich te gedragen als een echte Arnaulds, staakt ze haar klachten voorgoed. Maar daarmee is haar open en eerlijke jeugd voorbij. En als ze met mensen praat – zelfs met haar liefste broer Nicolas – dan is het toch niet over haar diepste innerlijk. Daniël trouwt met de dochter van een rijk geworden sigarenfabrikant. Er is immers geld nodig: Sabines ziekte kost veel. Marie-Anne is allang uit huis, getrouwd met een rijke diplomaat. Simon is naar de krijgschool. Gertrude gaat naar het klooster van de Zusters van Boetvaardigheid, een heel gewone orde, waar echte armoede is, de armoede van de geest. Dat is tegen de zin van haar vader, die haar in een aristocratische orde had willen zien treden. Nicolas is op het seminarie.
Tijdens een kerstvakantie brengt Simon een vriend mee, de journalist Joris Marion. Sabine realiseert zich hoeveel ze van hem houdt én dat ze hem nooit zal kunnen toebehoren. Tijdens een preek over wonderen raakt ze ervan overtuigd, dat als ze maar gelooft, God haar kan genezen. En ze belooft Hem, als ze geneest, dat ze haar leven aan Hem zal wijden. Joris ontmoet een poliospecialist en brengt hem naar Trois Fontaines. Die stelt vast, dat Sabine nooit kinderverlamming heeft gehad. Onder zijn strenge toezicht begint dan het revalidatieproces. Sabine wordt helemaal beter. En als dan Joris Marion vertelt dat hij van haar houdt, kan ze niet anders dan met hem trouwen. Alleen klaagt haar geweten haar aan, dat ze de belofte tegenover God niet gehouden heeft. Als Joris naar het nog rustige Frans-Duitse front is gegaan – de 2e wereldoorlog is een feit – wordt een zoontje geboren dat maar een paar uur leeft. Sabine denkt nu dat dit de straf is, omdat ze haar belofte, indertijd gedaan, niet hield. Iedereen van wie ze houdt, brengt ze dus in levensgevaar: God zal die personen van haar afnemen. Ze stoot daarom Joris van zich af, wat tot conflicten aanleiding geeft die des te erger zijn omdat ze zich niet kan uiten. Het oorlogsgeweld breekt los. Simon sneuvelt door een verdwaalde Belgische kogel. Dat betekent de dood voor zijn vader. Maar Sabine die kort voor haar vaders sterven een gesprek met hem had, weet hoe groot zijn op het Jansenisme geënte geloof is. Nicolas gaat met zijn moeder naar Rome voor zijn studies. Sabine wordt door wanhoop geplaagd, maar uiteindelijk slaagt Joris erin door de barrière heen te breken en dan wordt alles weer goed. Enkele maanden later echter schieten verzetstrijders hem per ongeluk dood. Sabines weerstand is gebroken. Ze gaat – ondanks het verzet van haar familie – in het klooster der Zusters van Boetvaardigheid waar Gertrude allang non is.
Het ergste van het leven in het klooster is voor Sabine niet de armoede, de boetedoening, of de beperktheid van de samenleving, maar de plicht de diepste gedachten en gevoelens uit te spreken. Het geeft haar het gevoel van hulpeloze naaktheid. De novicemeesteres beschouwt dit onvermogen om zich te uiten als een bewijs van hoogmoed. Die trots moet gebroken worden als ze in het klooster wil blijven. Zij is niet meer dan een ander omdat ze een Arnaulds is! De Moeder-overste, een tijdelijke, is wel in staat een sfeer van vertrouwelijkheid te scheppen, waarin Sabine zich kan en durft uitspreken. Het wordt de novice duidelijk dat ze God met haar wil en verstand zoekt, maar dat ze niet van Hem houdt met haar hele hart. Van alle novices trekt Zuster Maria Callixta Sabine het meest aan. De anderen zijn allemaal gefrustreerd en dweepziek. Maria Callixta denkt over allerlei dingen precies als zij. En het is nu net deze novice die Sabine in de nacht vertelt dat ze weggaat, wat tegen de regels is. Maria krijgt als straf dat haar professie een jaar wordt uitgesteld. Na de oorlog komt Nicolas terug zonder zijn moeder. Die is gestorven. De novicemeesteres Zuster Mathilde wordt Moeder-overste. Sabine wordt geprofest, waarbij Nicolas een preek houdt over de onbegrijpelijke wil van God. Sabine denkt nu dat de dood van haar geliefden geen straf, maar een uitnodiging van God was om tot Hem te komen. Onder Moeder Mathilde gaan de nonnen tot het uiterste wat betreft hun ascese. Daardoor richt Gertrude haar gezondheid te gronde en sterft aan tbc. Na haar dood leeft Sabine in een soort verdoving, waaruit ze pas ontwaakt wanneer Johanna visioenen krijgt over Gertrude. Fel keert ze zich tegen haar. In de weken van vastentijd ontwaakt de hoop dat God zich aan haar zal openbaren. Vier weken lang leeft ze in een paradijs van geloof. Maar dan wordt ze door de moeder-overste aan zichzelf ontdekt: haar vroomheid is niet echt. Ze wordt hierom nog niet toegelaten tot de orde. Ze krijgt een tweede kans, maar die weigert ze. Ze gaat uit het klooster. Nicolas haalt haar af.
Eenendertig jaar is Sabine en ze moet haar leven opnieuw beginnen. Ze woont voorlopig bij Nicolas in. Als ze leest dat Maria Callixta een vrouwencongregatie heeft opgericht, wil ze daar ook deel van uitmaken, maar de kardinaal-bisschop verbiedt de congregatie. Zijne Eminentie wil Sabine inschakelen maar ze vraagt uitstel. Ze weet ook dat als ze direct ja zegt, ze net als haar broer, aan zijn wil is overgeleverd. Ze geeft aan de uitnodiging van Marie-Anne gehoor. Paul, haar man, is cultureel attaché bij de ambassade in New Delhi. En zo gaat Sabine naar India. En als ze eens een crematie meemaakt, valt de zekerheid in haar ziel dat God niet bestaat. De mens heeft hem gemaakt om de dood niet het einde te laten zijn. Er is wel een kracht die aan het begin van alles staat, maar hij is onpersoonlijk zoals Brahma. Van de wanhoop die bezit van haar neemt, geneest ze niet, ook niet als ze na vier jaar weer terug is op Trois Fontaines en met Nicolas praat over haar uitzichtloos bestaan.
Dan is ze weer in het Oosten als journaliste reist ze naar Japan. Daar leert ze de journalist Nahajama Ichiro kennen. Voor hem is God zo groot dat een mens Hem niet kan begrijpen, tenzij na de dood, dan aanschouwt hij de waarheid moeiteloos. Door Ichiro leert ze de bisschop uit China, Lin-Yat-Sen kennen. Later als zij in Kyoto bij Franse nonnen logeert, komt ze door Ichiro’s toedoen weer met hem in contact. Van de bisschop leert ze hoe haar hoogmoed altijd tussen God en haarzelf heeft gestaan. God kan niets in haar scheppen en daarom kan ze de mensen ook niet liefhebben. Ze barst tijdens haar laatste onderhoud in snikken uit. En dan geeft hij haar zijn zegen. Sabine is ontzaglijk moe. Ze weet dat ze God niet kent, maar vanuit de diepte kan ze nu roepen: kom Heer Jezus!
Waar moet ik in godsnaam —no pun intended— beginnen. Voor de generatie van mijn moeder —ze is vorige week 81 geworden alstublieftdankuwel— was deze roman incontournable. Naar eigen zeggen herleest ze hem regelmatig, en steeds met evenveel goesting. Haar exemplaar komt uit de 10e druk van 1967, ik kon een exemplaar in uitstekende conditie op de kop tikken bij De Slegte voor 6,50 euro (11e druk, 1968). Ik weet niet of het nog steeds in druk is, maar elke Vlaamse bibliotheek beschikt zonder enige twijfel over een exemplaar.
De immense populariteit van het boek gaat hand in hand met de controversialiteit. Hoewel het hoofdpersonage initieel intreedt in het klooster, maakt ze een religieuze crisis door, waardoor ze aan het religieuze juk verzaakt en, zoals dat toen heette, haar kap over de haag smijt, en vervolgens op zwerftocht naar het Verre Oosten trekt. Rosseels is wars van de verstikkende conservativiteit van de jaren 50 en 60 en aarzelt dan ook niet om religie op een —zeker voor die tijd— erg onconventionele manier te benaderen.
Dood van een non is dan ook niet meteen een lang godsvruchtig relaas, maar is wel een boek over, jawel, een geloofsstrijd, maar meer nog over emancipatie en persoonlijke ontwikkeling (een Bildungsroman). Het is een boek over twijfel en beslissingen en keuzes, over existentialisme en bovenal over menselijkheid en wat het betekent om als mens in de maatschappij te staan. De roman zit boordevol ideeën, mijmeringen en filosofie. Aan te titel alleen al kunnen verschillende interpretaties gegeven worden.
Het is een boek dat, zoals Hubert Lampo schreef over een ander boek van Rosseels, “de belangstelling van iedere lezer, welke godsdienstige of wijsgerige overtuiging ook toegedaan, ten volle waardig blijkt.”
Prachtig geschreven boek, in een nu ouderwets, maar o zo mooi Nederlands, dat gaat over de zoektocht naar God en de zin van het leven. In deze tijd waar de kerk en het geloof in het westen zijn aanhang verloren heeft, is het vreemd om te lezen hoe Maria Rosseels in het begin van de jaren 60 van vorige eeuw een heel boek kon schrijven over de wanhopige poging om God te vinden en lief te hebben. De manier waarop het niet vinden van God toen als een ware mislukking van het leven wordt beschreven, staat in schril contrast met hoe we vandaag leven zonder een godsbesef. Tegelijk laat het boek ook zien hoe ingrijpend het geloof was voor de mensen toen, hoe hele mensenlevens werden opgeofferd aan een godsbeeld dat niet bestond en niet bestaat. Maar tegelijk zien we hoe vandaag dat godsbeeld levendiger dan ooit is bij andere religies en hoe ook daar nog mensenlevens worden opgeofferd in het vooruitzicht van een beter leven na de dood.
Wat een boek. Steekt ongekend diep af in vragen die de relatie met God betreffen. Zeldzaam tussen al het pulp dat er verschijnt. Als roman niet heel sterk, wel haar geloofsworsteling. De protagonist is een vechter. Vermoeid als Elia zocht ze rust en ging naar het klooster. Maar God was niet in de acsese. Ze ging naar het Oosten maar God liet Zich aan haar niet zien. Het ruisen van de zee is voor haar een zachte stilte geworden. Jammer dat deel drie niet echt is uitgewerkt. De Oosterse zienswijze laat zo duidelijk het karmpachtig onrustige van het Westen zien. In die zin is ook de ! non gestorven. Wij zijn niets! Deze vrouw schrijft meer dan vele mannelijke theologen. De non is dood, nu de bisschop nog.
Het duurde even voor ik erin zat, maar toen het verhaal op gang kwam, was ik wel gefascineerd door de theologische worsteling waar Sabine doorheen gaat. Het was wel moeilijk om een idee te krijgen van het tijdsverloop en het eind kwam wat abrupt.
Ik las het voor de leeskring en het was zo prachtig en liet/laat me zoveel nadenken. Indrukwekkend en eerlijk met ook nog eens mooi Vlaams taalgebruik.