Ooit raakte de Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog betrokken bij een moordzaak. In 'Niets liever dan zwart' probeert ze, jaren later, te begrijpen of het uiteindelijk een politieke of een criminele moord was. Het was destijds een enorm dilemma hoe ze moest handelen. Moest ze getuigen tegen haar zwarte comrades van het ANC? ‘Het wordt onmogelijk om door het tij van goed en fout te navigeren’
Ze neemt de moordzaak tot uitgangspunt voor een ontdekkingstocht. In 2008 is ze een half jaar voor studie en bezinning in Berlijn en heeft daar gesprekken met een Australische filosoof: 'Ik wil deel uitmaken van het land waarin ik ben geboren. Ik moet toch weten of het voor iemand als ik mogelijk is om me te vereenzelvigen met de meerderheid, om "zwarter" te worden?'
‘is het voor een blanke als ik, die in Afrika is geboren, opgegroeid in een cultuur met sterke westerse wortels, doordrenkt van een politiek bestel dat zei dat zwarten anders waren en daarom minderwaardig, mogelijk om ‘zwart’ te worden in de betekenis die zwarte Zuid-Afrikanen er zelf onder verstaan?’
Ze vraagt zich af of ze werkelijk kan begrijpen wat er in het land gebeurt en hoe ze kan veranderen zodat ze een goed leven kan leiden in Zuid-Afrika? Ze houdt van haar land maar voelt zich toch buitenstaander, voelt zich schuldig, worstelt met het blank zijn. Verzoening, vergeving,onderlinge verbondenheid, het zijn begrippen die steeds terugkomen in het boek.
‘Deels ben ik hartstikke bang dat dat een indicatie is dat er ergens toch een restje smeulend racisme in mij zit, een onwillekeurige reflex. Dat ik me niet kan indenken wat het is om zwart te zijn, omdat ik eigenlijk een afkeer heb van zwart’
Deze diepgaande gesprekken (voor mij soms te complex om geheel te volgen) leiden tot analyses als: ‘Mensen hebben de neiging om zich binnen de kortste keren gelijk te stellen met het Westen en dan vergeten ze maar even dat onderlinge verbondenheid van een waardevolle invloed kan zijn. Misschien denken ze dan dat ze als primitieve inboorling worden gezien. De veronachtzaming van onderlinge verbondenheid wordt een groot probleem wanneer elementen als vergeving, of aanvallen op anderen, of het gedrag van Afrikaanse leiders los gezien worden van een wereldbeschouwing met onderlinge verbondenheid.’
Krog krijgt het advies: ‘praat niet steeds tegen blanken over zwarten. Praat met en luister naar zwarten’
Een andere verhaallijn beschrijft het leven van de koning van de Basotho : Moshoeshoe (om zijn belang aan te geven: hij staat nu nog op de bankbiljetten van Lesotho!). Een groot man met een loffelijk streven om voortdurend mensen met elkaar te verzoenen, hen in staat te stellen harmonieus in vrede met elkaar te leven. Veel van wat hij zei bleef onbegrepen bij de zendelingen, bij de Britse overheersers en de Afrikaner boeren. ‘Hij was niet in staat om een buitenlandse mogendheid ervan te overtuigen dat de diversiteit die hij in zijn koninkrijk toestond ook hen betrof, dat een samenleving goed kon zijn wanneer prioriteit werd gegeven aan onderling verbonden menselijkheid.’
Boeiend waren de hoofdstukken over deze man en zijn volk. Hij had bijvoorbeeld een heel goede band met Franse zendelingen,(vooral met Eugène Casalis) en maakte ook op een positieve manier gebruik van ze.
Wel een moeilijk boek om te lezen onder meer omdat ik gewoon kennis mis om het helemaal goed te begrijpen. Ook kwam ik er later achter dat het eigenlijk het laatste deel is in een serie van 3... En het gaat echt diep, wordt diepzinnig in gefilosofeerd. Wat is de mens, hoe is de mens, hoe bekijkt hij de wereld? Maar als conclusie kan ik zeggen dat het me veel inspanning kostte maar dat het een prachtig boek is, Krog formuleert prachtig. Om dat te laten zien heb ik haar vooral zelf aan het woord gelaten in deze reactie. En excuses dat het zo lang is geworden.;)
Een laatste opmerking nog: Je kunt goed merken dat Krog van origine dichteres is.
(over de jodentransporten) ‘al die lange jaren werden ze door het herfstvuur van het bos, de kou, het winderige, roestige gehuil van de winter gezonden, door de werveling van roze bloesem, de onbezonnen, zachte geuren van de zomer, Lindenluft en kandelaars”