Eenvoudig te lezen boek over corporaal studentenleven in Amsterdam. Lollig en een beetje voorspelbaar.
Aantekeningen voor mezelf gemaakt. Één grote spoiler.
Het verhaal vertelt van een aantal vrienden die lid zijn van het ASC, het Amsterdams Studenten Corps. Het zijn prominente leden, dat wil zeggen hoog in de rangorde want met bestuursfuncties zoals praeses (voorzitter) en abactis (secretaris). Wat een opgeblazen flauwekul trouwens dat zinloze latijn. Ze wonen samen in een studentenhuis, compleet met een hiërarchie en rituelen. Het leven van deze vrienden draait eigenlijk maar om twee dingen: dronken worden en seks. Alcohol is ruim beschikbaar en meisjes niet natuurlijk, dus daar draait het in de kern allemaal om. Jongens die jongens leuk vinden, komen in dit verhaal overigens alleen maar voor als slachtoffers van potenrammen. De enige vriend die homo is pleegt aan het eind zelfmoord. Niet echt een fijne positionering van de homoseksuele medemens, wel?
Leugen
Philip is één van de jongens; bijnaam Bhikkhu, Monnik. Omdat hij serieus is met zijn studie en zijn vriendin. Matt is zijn tegenganger: ontvlucht zijn ouders in liederlijk studentenleven en versiert iedere vrouw die voor zijn voeten komt. In de studentensociëteit staat boven de uitgang iets als Vriendschap verenigt - Philip denkt daarover dat het een leugen is en dat eerder ontrouw, liegen en bedriegen deze jonge mensen verenigt.
Tragisch
Vanzelfsprekend schetst dit boek een grimmig beeld van corpsstudenten. En laat je het af en toe grinniken om hoe bijdehand en kwajongensachtig hun gedrag vaak is. Huff verwijst op pagina 308 expliciet naar Nescio, bekend van zijn schelmenverhalen over vriendengroepen. Maar het meest interessante van dit boek vind ik de insteek die Huff kiest om deze mensen als tragisch af te schilderen. Voorbestemd voor een geprivilegieerd maar ook geïsoleerd leven vol maatschappelijke en familieverplichtingen, zonder vrijheid om je eigen eigenheid te volgen. Het corps als enige periode in het leven van deze jonge mensen waarin ze vrijheid ervaren. “De vrijheid. Dat alles kan. (…) En straks, straks moet je ineens vanalles. Keuzes maken die onomkeerbaar zijn. Gaat de maatschappij je voor haar ploeg spannen. Moet je je talent te gelde maken, moet je een smal pad kiezen, de weg van het opportunisme. Iets doen.” “Slimmeriken worden ingenieur of advocaat. Krijgen een goed salaris. Klootzakken gaan het vastgoed in. Vangen miljoenen. Maar de vraag is: wat komt er van klaplopers terecht? Wat wordt er van ons tafelbroeders? Alleen god heeft niets nodig. De rest van ons moet toch in de rij gaan staan. Meedoen met de rest. Op zoek naar een dharma.” “Als je ziet hoeveel moeite mensen moeten doen om lol te hebben, Bhikkhu, om niet alleen te hoeven zijn. De rijen bij De Kleine Komedie, in de barre kou, om een kaartje te bemachtigen. En dat allemaal voor een avond lachen. Om er even uit te zijn, die pandjesjas, die ketting van het kapitalisme.”
Affaire
Philip heeft dus een vriendin maar valt ook voor de mooie Karen. Karen wordt door alle jongens aanbeden maar heeft met niemand seks. Ze kiest uitgerekend Philip uit om het mee te doen. Hij vertelt zijn vriendin niets en heeft maandenlang een stiekeme affaire met Karen. Totdat zij natuurlijk zwanger wordt van hem. Voorspelbaar: zwanger, kanker of zelfmoord denk je als je leest - zwanger dus. De zelfmoord komt later en bij een ander. De druk naar het eind neemt toe als de vriendin van Matt het uitmaakt. Matt en Philip raken slaags als Matt weer eens uitzinnig dronken en stoned is. Daarbij verliest Philip een vingerkootje. Karen laat zich aborteren en wil Philip niet meer zien: “Play with fire and you might get burned.” Later krijgt Philip van een vriendin van Karen het verwijt dat hij nooit meer contact heeft opgenomen met Karen… het is ook nooit goed bij vrouwen…
“Hier zijn we de rol die we spelen. Gun ons dat. Het recht om ons over te geven aan de groep. Gun het jezelf.”
“Maar wij zijn schapen, Bhikkhu, allemaal. Weerloze dieren, zonder herder. (…) Onze studie is de omrastering die de mensen buiten houdt. Straks staan we weer open voor het ongeluk. (…) Maar deze tijd, Bhikkhu, op het Weeshuis (studentenhuis, red.), is onze tijd in de Hof van Eden. (…) Jongens, denk niet: dit is het begin, nu gaat het gebeuren. En er komt nog veel meer. Want dit is het begin niet. Dit is het. Het moment. Hier en nu.” (Nb dit klinkt gepikt van Cunningham in The Hours…).
“Dit is een beeld dat ik lang bij me zal houden: Matts vader in de achteruitkijkspiegel, met afhangende schouders, zijn grijze haar: vermoeidheid in zijn blik en in zijn schouders, en Daphne die naast hem staat. Stralend.”
Zelfmoord
Jacob, oud huisgenoot, pleegt zelfmoord. Jacob, van adel, elitair opgevoed maar meer muzikaal geëngageerd dan geïnteresseerd in zijn voorland als hoeder van het familiekapitaal. Homoseksueel. Hield van Debussy, Bill Evans en Keith Jarrett. En van The Smiths en Morrissey die hij steevast bij zijn volledige naam Steven Patrick Morrissey noemt.
Klootzakken
Een reüniediner in een tennishal met voormalige bewoners van het corpshuis loopt volledig uit de hand. Servies wordt kapot gegooid, tafellinnen vliegt in de brand, meubilair wordt gesloopt. Een meisje uit de bediening raakt gewond. Door volwassen mannen. Matt komt terecht in vastgoed. Hoe werden de mannen ook alweer getypeerd die daarin gaan?
Cliché
Het boek eindig met de twee grootste clichés uit de literatuur: tijd maakt alles stuk, dus leef in het hier en nu… en: houd van jezelf en leef je leven volgens je eigen normen en waarden, niet volgens wat anderen van je verwachten. Wat Huff over het hoofd ziet, en waarom zijn einde zo clichématig is, is dat je nu ook weer niet zo jezelf moet willen zijn in het hier en nu dat je de ruiten ingooit voor anderen of voor jezelf in een toekomstig hier en nu. Dit is het klassieke junkie-dilemma: de rush is misschien wel heel erg mezelf in het hier en nu, maar langzaam maar zeker richt de junkie zichzelf te gronde en sleept anderen erin mee. Dit is wat de vieze en lelijke corporale leefstijl veroorzaakt: vernieling en ongeluk, voor anderen en voor later. Doordat Huff dat buiten beschouwing of op zijn best impliciet laat, eindigt dit boek in een cliché. Voer voor een Nederlandse speelfilm, dit boek.