A description is missing, so I made one: Bundel van zes novellen: ‘Huissens, een climacterium’, ‘IJzeren agaven, studie in zwart en kleuren’, ‘Keizerrijk, oproep der hoofdstad van weleer’, ‘Passage, een architectuur’, ‘Snikhete nacht, studie in isametralen’ en ‘Sodom, moraliteit van deze eeuw’. Tot slot volgt een uitgeleide, waarin de schrijver de titel van de bundel verklaart. De novelle ‘Keizerrijk’ toont reminiscenties aan schrijvers eigen kinderjaren in Amsterdam; in de andere overheerst het magisch realisme, waarin de rationele samenhang der dingen is verbroken en een sfeer wordt geschapen die aan Kafka en de schilder Willink doet denken. Dit is de tweede druk uit 1950, nummer 25 in de Nimmer Dralend reeks.
Ferdinand Bordewijk was born in Amsterdam and studied law in Leiden. After graduation he worked at a Rotterdam law firm.
His first published work was a volume of poetry titled Paddestoelen ("Mushrooms") under the pen-name Ton Ven. It was not particularly well received.
His breakthrough came with the short novels Blokken ("Blocks", 1931), Knorrende Beesten ("Growling Animals", 1933) and Bint (1934), and two longer works Rood paleis ("Red Palace", 1936) and Karakter ("Character", 1938).
His style, which is terse and symbolic, is considered magic realism. He was awarded the P.C. Hooftprijs in 1953 and the Constantijn Huygens award in 1957.
Een indruk die bij mij meteen de boventoon voerde, is dat de bevreemdende en afstandelijke verhaalinhoud totaal parallel loopt met het hermetische karakter van Bordewijks taalgebruik. Deze bundel met zes verhalen is gepubliceerd in 1937. Dan kennen we 'de vroege' Bordewijk al: drie bundels ‘Fantastische vertellingen’ in de twintiger jaren, waarin hij niet onderdoet voor Edgar Allan Poe, Blokken (1931), Knorrende beesten (1933) en Bint (1934) zijn al verschenen; de roman Karakter volgt in 1938. En dat is slechts het bekendste topje: het verzameld werk telt dertien delen. Van de zes verhalen in De wingerdrank spreekt Het Keizerrijk mij het meeste aan. Het is het concreetst, de structurele indeling van de verhaalinhoud, de herkenbaarheid van Amsterdam, de relatieve bewogenheid die spreekt uit de beschrijving van de sociale omstandigheden in de verhaalde tijd. Overigens bevind ik mij in dit opzicht in goed gezelschap: Simon Vestdijk heeft zich zeer positief uitgelaten over juist dit verhaal. In de overige verhalen laten meestal de zielenroerselen van de protagonisten zich raden. Wellicht gaat het Bordewijk daarin veel minder om een realistische voorstelling van zaken, maar om beelden te schetsen die staan voor abstracties, waarbij het laatste verhaal sprake is van een metamorfose van Oudtestamentische allure. Het komt op mij wel enigszins ongemakkelijk over dat Bordewijk in deze verhalen een groot beroep doet op de lezer om hem te volgen in zijn vaak supra-realistische fantasieën, terwijl tegelijk de bewoordingen waarmee aan zijn fantasie gestalte wordt gegeven, hun beoogde betekenissen niet makkelijk prijsgeven. Het kost in ieder geval mij, lezer anno 2022, flink moeite om tot deze verhaalwereld van de Bordewijk van 1937 door te dringen. Om kort te gaan: Ter Braak noemt ze cerebraal. En ja, dat taalgebruik. Qua stijl, zins- en alineaniveau, is het tijdeigen voor de dertiger en veertiger jaren van de twintigste eeuw, namelijk bondig; tegelijk kent de tekst een grote rijkdom aan metaforen. Op woordniveau is het ook bijzonder. Een voorbeeld: het woord isametralen in de ondertitel van het verhaal 'Snikhete nacht' moet een neologisme van Bordewijk zelf zijn. Een uitgebreider voorbeeld betreft het bezoek van een man aan het stadscentrum van Amsterdam, terugkerend na vele jaren. “Het verleden roerde zich in de man. Hij dacht aan die kleine rode Hiekensauzer … met het geestig wegcapriolerend haar, en aan het namiddaguur in een woning in deze kloof. Hem schoot ook een naam te binnen, Windzak en Wielkens, een naam nietszeggend en toch onthouden. … Hij keek door het nieuwe Keizerrijk van hier tot aan de lichte zonnige Spuistraat waar hij het verkeer in miniatuur zag langsschieten als door een binocle averechts tussen kierende gordijnen over de glimp van een toneel.” In een artikel uit mei 1996, gepubliceerd op de m.i. befaamde website van dbnl punt nl beschrijft en analyseert J.A. Dautzenberg alle verhalen en hun interpretatiemogelijkheden uitgebreid en gedetailleerd – voor de Bordewijk-doorgewinterden. Enfin, daar waar ik niet makkelijk doordrong tot de diverse betekenissen van de verhalen, bood het gelezene niettemin een gerieflijke koestering in Bordewijks taal. JM