Rond 1900 leek Wenen nog slechts de residentie te zijn van een vermolmd keizerrijk dat zijn toekomst zocht in het verleden. Maar juist in die tijd groeide de stad uit tot het kosmopolitisch centrum van de Europese cultuur, waarin een nieuwe elite van vooral Midden-Europese joden haar eigen ideaal van de Verlichting nastreefde. Tegen de achtergrond van die wonderlijke paradox deed zich in het eerste decennium van de twintigste eeuw een ware explosie van creativiteit voor, in de kunst, de filosofie en de wetenschap. Sinds het Athene van de Griekse oudheid was dat in de westerse wereld niet meer vertoond. Het geheim daarvan kan alleen worden ontraadseld door die ongekende scheppingsdrang op zoveel terreinen tegelijk in hun onderlinge samenhang te doorgronden. Het mysterie van Wenen werpt nieuw licht op de muziek van Mahler en Schönberg, de filosofie van Wittgenstein, de economie van Schumpeter, de schilderkunst van Klimt en de psychologie van Freud – en op een van de opwindendste perioden in de westerse geschiedenis.
[Most of my friends don't speak Dutch, but as this his book hasn't been translated into another language as far as I know, I'll do this review in Dutch.]
Vergeleken bij andere moderne knooppunten van de moderne westerse beschaving als Parijs of New York lijdt Wenen onder een wat suf imago. Voor mijzelf was het lange tijd de-stad-die-mijn-opa-leuk-vond - Sissi, Sachertorte en operette. Dit boek toont hoe groot de feitelijke invloed van de Weense elite op de 20ste eeuw is geweest, en die was verrassend groot. Freud, Mahler, Schnitzler en Wittgenstein en helaas ook Hitler en Lenin kwamen er tot wasdom. Het is knap dat de auteur een scala van onderwerpen bestrijkt als literatuur, symfonische muziek, beeldende kunst, politiek, filosofie, economie en fysica. Mij werden de metafysische zielenroerselen van Mahler en de economische details me op den duur wat te veel, maar bij zo'n reeks aan onderwerpen kan niet alles interessant zijn voor iedereen; er zijn genoeg gedeelten van het boek die wel boeiend zijn. Een ander detail is dat er wel wat strakker geredigeerd had mogen worden. De in het boek (terecht) vaak geciteerde Karl Kraus had gehakt gemaakt van vage, zwaarwichtige wendingen als 'niet in het minst' en 'niet in de laatste plaats'. Dat doe niet af aan de prestatie als geheel: het tonen van de eenheid in veelheid aan Weense culturele uitingen van het Wenen van voor de Eerste Wereldoorlog.
Het mysterie van Wenen doet een poging een beeld te schetsen van het intellectuele leven in het Wenen van het eind van de negentiende en begin van de twintigste eeuw. Wat ik verwachte was een uitdieping van mijn kennis van de Fin-de-siècle cultuur in de hoofdstad van Oostenrijk. Maar dat is niet wat ik kreeg.
Weeda geeft ons daarentegen uitgebreide, maar weinig transparante uiteenzetting betreffende de filosofie van de Oostenrijkse School, met namen als Schopenhauer en Wittgenstein. Dit wordt weer gelinkt aan het grotere geheel van de Oostenrijkse cultuur, in de vorm van romanschrijvers als Musil, schilders als Klimt, Kokoschka en Schiele, en als hoofdrolspeler de componist en dirigent Mahler. De anekdotes zijn leuk, maar lang en lopen schijnbaar van de hak op de tak in elkaar over.
Taalfilosofie speelt een grote rol, maar ironisch genoeg lukt het Weeda niet daadwerkelijk uit te leggen wat hij bedoeld. Het resultaat is een haast onnavolgbaar - en dan niet op een goede manier- relaas over filosofie waar ik in ieder geval niet veel wijzer van werd. Jammer!