8.0
Zeer opgefokte roman, maar dat is niet geheel verwonderlijk, omdat dat de protagonist, Walter van Raamsdonk, en zijn medespelers zowat het gehele boek doorgesnoven zijn op het Boliviaanse witgoed. Er wordt gevochten; er worden pillen gepopt; er wordt meer gepraat over neuken dan er daadwerkelijk geneukt wordt; koningin Juliana heeft een bijrol; en op een gegeven moment stopt de hoofdpersoon een haar van zijn ex onder zijn voorhuid om die 'goed te bewaren'. Wat een gekkigheid. Maar bovenal wordt er door Zwagerman giftig afgegeven op de amsterdamse kunstscene in de jaren tachtig, bestaand uit "kunstenaars" die gekarakteriseerd worden als een ideeënarm en door-en-door opportunistisch stelletje geldwolven zonder hoger doel of innovatiedrang of wat dan ook. En de coke die ze gretig wegwerken wordt gesubsidieerd door de Nederlandse belastingbetaler.
Leve de postmoderne schilderkunst.
Hoewel Zwagerman altijd beweerd heeft dat dit boek niet gelezen dient te worden als een sleutelroman, en dat de personages slechts 'gebaseerd' zijn op mensen die hij kende, is het tekenend dat het specifieke clubje kunstenaars waarmee hij rondhing geleid werd door Rob Scholte, die een aantal jaren later beide benen is verloren door een autobomaanslag, vermoedelijk wegens zijn torenhoge drugsschulden (hoewel de zaak nooit volledig is opgehelderd).
Het boek krijgt het voor elkaar extreem misogyn, racistisch en homofoob te zijn, maar dat is ook wel nodig om de verwerpelijke types die in dit boek ronddrentelen een waarheidsgetrouwe karakterschets te bieden.
Politiek correct is anders, maar goede literatuur moet schuren, en dat doet dit boek met verve.
Het proza is avontuurlijk en voor zijn tijd zeker innovatief. Allerhande referenties naar pop-cultuur, het gebruik van slang, het vele Engels, maken dit boek een schoolvoorbeeld van postmoderne literatuur. (Misschien wat ironisch, gezien het boek gelezen kan worden als een aanklacht tegen de leegte van de postmoderniteit).
'Leegte' is dan misschien ook wel het belangrijkste thema van het boek. Hoe erg de hoofdpersoon zijn knallende best ook doet om zichzelf te ontdoen van zijn overweldige bestaanszwaarte door zijn lichaamsholtes te vullen met snuif, drank, tabak, hasj, of gedachtes aan zijn ex-vriendin Sam, het is allemaal niet genoeg. De leegte blijft; een leegte die Zwagerman uiteindelijk fataal is geworden.
Hij schrijft:
"... Sam wijst naar haar hoofd, naar waar ze is geopereerd en ze zegt: 'Nu heb ik een hoofd met een deurtje.'
Had ik er maar zo een, had ik maar zo'n hoofd. Walter Raam met een deurtje in z'n kop. Dan kon ik uit mezelf weglopen, huppekee, deur achter me dicht en wegwezen."