Jeroen Brouwers beleefde in Nederlands-Indië zijn kinderjaren. In deze roman haalt hij herinneringen op aan deze tijd en het verloren landschap van zijn jeugd.
Jeroen Brouwers was a Dutch journalist and writer.
From 1964 to 1976 Brouwers worked as an editor at Manteau publishers in Brussels. In 1964 he made his literary debut with Het mes op de keel (The Knife to the Throat).
He won the Ferdinand Bordewijk Prijs in 1989 for De zondvloed, and in 1995 the Prix Femina for International works for his book Bezonken rood (Sunken Red). In 2007 he refused the Dutch Literature Prize (Prijs der Nederlandse Letteren) - the highest literary accolade in the Dutch-speaking world - because he considered the prize money of €16,000 too low for all his work.
Het verzonkene ligt op de bodem van een koloniaal zwembad in JB's ouderlijk huis, Tjemaralaan 21 in Batavia, Nederlands-Indië. Waar de stop uitgetrokken wordt door de "inlanders" en ook de Japanners korte metten mee maken. Tussen 1941 en 1947 speelt het zich af, in het vóórdenkende leven van Jeroen Bouwers (° 1940), zoals hij het noemt. Geschreven als verweer in 1979, 'Louwhoek', Exel.
Het verzonkene ligt op de bodem van een hypergevoelig hart dat wild tekeer kan gaan, een kind/Mens met de VUIST gebald. Bezinkselen uit de vóórkleuterse en kindertijd. Zó ragfijn soms is het netwerk van waarnemingen, gevoelens dat hieruit ontstaat, dat het pijn doet. Ruw behandeld, maar ook veerkrachtig behouden blijven kan. Altijd flink zijn, de muzikale extravagante grootvader geïncarneerd.
P. 15 bijvoorbeeld : In deze geluiden is onbedreigdheid en vrede. Ik hoor het schijnen van de maan. Ik hoor het ontstaan van een ei in een vogel. Ik hoor het groeien van bomen. Soms regent het. [...] dit mengsel van geluiden ... dat is tempo dahoeloe. De geluiden van Goudland. Atlantis is nog niet verzonken."
Ik kan het niet beter zeggen dan wat op de achterflap werd geschreven. “Brouwers zet de feiten uit zijn leven bij in een praalgraf van literatuur, waardoor hij schittering verleent aan wat hij liefheeft en wat hij haat.” - Jaap Goedegebuure (Tirade)
Zo goed als elke pagina meerdere keren (hardop) gelezen, zodat ik ieder woord en iedere klank tot me kon laten doordringen. Wauw, wat is dit hartverscheurend mooi.
Titelverklaring - De titel Het verzonkene symboliseert het moment waarop de ik-persoon zijn ware zelf ontdekt, een moment dat diep in zijn geest verankerd raakt. De ik-persoon zegt dat dit het moment is waarop hij zichzelf wordt voor de rest van zijn leven, het moment waarop volgens hem zijn geest in hem 'verzinkt'. - Het boek maakt deel uit van een bundel met Bezonken rood en de zondvloed. Het verzonkene is een autobiografisch getinte roman.
Tijd en plaats - De handelingen spelen zich grotendeels af in de jaren ’40 en ’50, met delen in het heden (rond 1979). - Het verhaal is niet chronologisch en vermengt verleden en heden.
Belangrijke locaties - Het huis en de tuin in Nederlands-Indië vormen de centrale setting van het verhaal. Hier vinden de belangrijkste gebeurtenissen plaats, zoals de Japanse invasie. - Deze setting is van groot belang voor de sfeer in het verhaal, met een fel schijnende zon en hoge temperaturen die een constante achtergrond vormen voor de gebeurtenissen.
Karakter - De roman is een autobiografisch getint verhaal over een kind in Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting. - De verteller herinnert zich levendig zijn ervaringen, ondanks zijn jonge leeftijd toen. - Het boek is fragmentarisch, zonder duidelijke spanningsopbouw, en bestaat uit losse flarden herinneringen en gedachten.
Motieven - Het opgroeien in een bezet Indië. - De sterke gelijkenis tussen de ik-persoon en zijn grootvader. Citaat: "Weet je op wie je lijkt? Op je grootvader." p 14. - Herinneringen aan het afscheid van zijn ouders. Citaat: "Mijn moeder, voordat ze wegrijdt, zwaait met een zakdoekje." p 11. - Driftaanvallen van de ik-persoon als kind. Citaat: "Ik liet mij tijdens een driftaanval plat op de stenen vloer voorover vallen, krijsend, en verlangend dat ik in de koelte van de vloer kon verdwijnen." p 21-22.
Personages - Ik-persoon: Driftig en angstig, sterk beïnvloed door zijn grootvader, met wie hij een bijzondere band deelt. - Grootvader: Een belangrijke figuur in het leven van de ik-persoon, die centraal staat in zijn herinneringen. - Ouders en andere familieleden: Deze personages worden minder diep uitgewerkt en dienen vooral als achtergrondfiguren in het verhaal.
Samenvatting - De verteller, een oudere man, blikt terug op zijn jeugd in Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting. Zijn herinneringen zijn fragmentarisch en verweven met overpeinzingen over zijn identiteit en de invloed van zijn grootvader. De band tussen de verteller en zijn grootvader vormt een centraal thema, als symbool voor de verbinding tussen verleden en heden, kindertijd en volwassenheid.
- De roman bereikt een emotioneel hoogtepunt wanneer de verteller een moment tijdens een bombardement herinnert. Zijn grootvader redt hem uit de vlammen, en in deze chaotische, levensbedreigende situatie ondergaat de verteller een transformatie. Het laatste beeld, waarin zijn moeder hen met water overgiet om het vuur te doven, functioneert als een metafoor voor een soort doop of wedergeboorte. De verteller beschouwt dit moment als het begin van zijn echte leven, het punt waarop zijn identiteit werd gevormd, getekend door trauma en overleving.
- De roman gaat over hoe vroegere ervaringen, vooral die met betrekking tot oorlog en familie, iemands identiteit en zelfbeeld vormen. Door zijn sobere maar krachtige proza biedt Brouwers een ontroerende verkenning van herinnering en de manieren waarop individuen omgaan met de littekens van hun verleden.
- De thema's van vervreemding, eenzaamheid, ontheemding, en de worsteling met identiteit spelen een centrale rol in het boek. De verteller reflecteert op zijn leven, zijn werk, en zijn plaats in de wereld, en toont een diep gevoel van vervreemding en pessimisme. Hij lijkt te worstelen met zijn eigen literaire identiteit en zijn plaats in de maatschappij, terwijl hij ook kritisch is over de wereld om hem heen, inclusief de media en de oppervlakkige benadering van het schrijverschap.
- De verteller reflecteert op ouder worden, vervreemding, en de betekenis van zijn eigen literaire werk. Hij ziet zichzelf als gevangen in een breed scala aan situaties en omstandigheden, waaronder zijn ervaringen in de Japanse interneringskampen, en beschouwt deze ervaringen als vormend voor zijn identiteit. Hij uit ook een diepgaande kritiek op de oppervlakkigheid van de media en de manier waarop het schrijverschap vaak wordt gereduceerd tot een hobby of bijzaak.
- Dit alles versterkt de centrale thema's van vervreemding, verlies, en de strijd met de eigen identiteit die doorheen het werk van Brouwers lijken te lopen. Er is een sterke focus op herinnering en de onmogelijkheid om het verleden terug te halen of om grip te krijgen op de eigen existentie. De verteller voelt een diepe melancholie en pessimisme over zijn leven en de wereld om hem heen.
- De spreker beschrijft een gesprek waarin iemand opmerkt dat de wereld doorgaat ondanks pijn en lijden. Hij reflecteert op zijn leven, vaak tussen verschillende talen en culturen, en beschrijft zichzelf als iemand die nergens echt thuis is. Hij noemt zijn leven "Nergens thuis" en erkent verschillende 'ikken', wat wijst op een gevoel van vervreemding of identiteitssplitsing.
- De spreker bespreekt zijn gevoelens van vervreemding en eenzaamheid, die hij associeert met zowel zijn literaire werk als zijn leven in het algemeen. Hij uit een verlangen om zijn leven opnieuw te beginnen, maar geeft toe dat hij de energie mist om zichzelf met dergelijke ideeën te bedriegen. Hij voelt dat zijn literaire werk slechts een kleine plaats inneemt in de grotere wereld van de literatuur.
- De spreker herinnert zich een filmvertoning zonder geluid, wat bij hem een angstig besef opwekte dat hij voor de rest van zijn leven vervreemd zou zijn, verdwaald in verschillende werelden. Dit thema van vervreemding en ontheemding is belangrijk in zijn ervaring en reflecties.
- Er wordt kritiek geuit op de Telegraaf een krant die de spreker ziet als fout in vrijwel alles: berichtgeving, opinies en tendensen. Hij beschouwt de krant als een negatief element dat de maatschappij vergiftigt en distantieert zich hiervan, wat mogelijk een metafoor is voor zijn eigen afstand nemen van bredere maatschappelijke tendensen.
- De spreker overweegt zijn eigen dood en wat er met zijn lichaam moet gebeuren. Hij wil geen graf en wenst dat zijn as wordt verspreid. Dit lijkt een soort testament te zijn waarin hij reflecteert op zijn literaire nalatenschap en de onbeduidendheid die hij voelt in de bredere context van de wereldliteratuur.
- De spreker gaat verder in op het thema van vervreemding en vraagt zich af of hij wel echt bestaat of slechts geestelijk afwezig is. Hij beschrijft het huis dat hij ziet vanuit een zwembad, maar het voelt voor hem vreemd en niet meer als thuis, wat zijn gevoelens van vervreemding versterkt.
- De verteller spreekt over ouder worden en het besef dat de tijd wegtikt. Hij verwijst naar zijn huis bij de Tjiliwoeng rivier, dat hij als het mooiste huis ter wereld beschouwt. Er is een gevoel van heimwee en vervreemding. De verteller voelt dat met zijn levenseinde ook een einde komt aan een stukje Nederlands-Indische literatuur. Hij herinnert zich het geluid van een vrachtwagen, wat een terugkerende herinnering is aan de woorden van zijn moeder: "het is zover."
- De verteller beschrijft een droomachtige herinnering waarin hij zich in een huis bevindt, omringd door geluiden van sleutels die in sloten worden gestoken en deuren die openen en sluiten. Deze herhalende handelingen roepen een gevoel van spanning en angst op. Hij verlangt naar het huis uit zijn jeugd, ondanks de schade die het opliep tijdens de oorlog, maar beseft dat hij er niets voor kan geven om die tijd terug te halen.
- In dit filosofische en reflectieve fragment benadrukt de verteller dat hij geen enkel talent heeft ontvangen. In een bijna goddelijke claim zegt hij "ikzelf ben God, ikzelf ben de schepper, ikzelf ben de vernietiger." Hij lijkt zichzelf te zien als iemand die controle heeft over zijn lot en de vernietiging ervan. Dit leidt tot een donkere en nihilistische kijk op zijn leven, waarin hij stelt dat niets zijn leven zo heeft vergald als God.
- De verteller overweegt het idee van een boek dat hij altijd al wilde schrijven, maar nooit heeft geschreven. Hij spreekt over een balans opmaken van zijn leven, wat hij vergelijkt met een boekhouding. De passage eindigt met een dramatisch beeld van de verteller die een lied schrijft in een nacht in mei 1973, terwijl hij zich in een staat van wanhoop en dronkenschap bevindt.
- De verteller bekritiseert het schrijversbestaan als iets dat wordt gedaan uit hobby, in de vrije uren, door mensen die eigenlijk een andere baan hebben. Hij uit minachting voor de oppervlakkigheid en het gebrek aan erkenning voor de ernst en moeilijkheid van het schrijverschap. Hij lijkt zichzelf te identificeren als iemand die niet past in het stereotype van de 'elite' schrijver.
Zeer dun boekje van Brouwers uit 1979 waarin hij in korte hoofdstukken terugblikt op zijn tijd in Nederlands Indië, tot aan de inval van het Japanse leger, en dus voor zijn tijd in het Jappenkamp.
Het zijn voornamelijk herinneringen uit zijn meest prille jeugd, en bespiegelingen die hij heeft tijdens het terugblikken. Niet alleen krijg je als lezer inzicht in de kiem van een belangrijk deel van zijn oeuvre, je kijkt ook - zoals zo vaak en zo vaak zo geniaal bij Brouwers - diep in het binnenste van wat hij hier van zijn ziel openbaart: hoe hij onbeheersbare driftbuiten en woede-aanvallen heeft en dan door zijn moeder in koud water wordt ondergedompeld.
Wie Brouwers leest kent die onbehouwen woede, maar tegelijk ook de pijnlijke kwetsbaarheid van een onbegrepen kind met kunstenaarsziel:
"In deze geluiden is onbedreigdheid en vrede. Ik hoor het schijnen van de maan. Ik hoor het ontstaan van een ei in een vogel. Ik hoor het groeien van bomen. Soms regent het. Van de avondgeluiden maakt ook vioolspel deel uit. Dat is mijn grootvader die op zijn Guarnieri speelt. Ik denk weleens: dit mengsel van geluiden, dat ik hoorde tussen schemering en nacht, voordat ik onder zeil ging, vóór mijn derde jaar, sluimergeluiden, droomgeluiden, de geluiden van de stilte, dat is tempo dahoeloe. De geluiden van Goudland. Atlantis is nog niet verzonken."
Hier lees je al wat kiempjes die in zijn meesterwerk De Zondvloed tot volle wasdom komen, en in volgend citaat die tot droefheid stemmende eenzaamheid en onbegrepenheid:
"De herinnering aan deze filmvertoning is dezelfde als aan het feit dat diezelfde avond voor het eerst in mij het angstbesef opkwam: vervreemd te zullen zijn, vanaf die avond voor de rest van mijn leven; verdwaald in verschillende werelden; niet thuis op de plaatsen waar ik zou zijn, stikkend in heimwee naar de plaatsen waar ik ook niet thuis ben geweest en die geen enkele herinnering aan mij bewaren; verstrengeld in een taal, of in taaltermen, die ik niet zou verstaan en waarin ik mij niet zou kunnen uitdrukken, terwijl de taal die ik zou spreken door de anderen niet zou worden verstaan en gesproken."
Even verder:
"Ik hier in mijn afgelegenheid. Mijn moedeloosheid om mooie dromen die niet ten einde worden gedroomd."
Als iemand met een slecht geheugen blijf ik me erover verbazen hoe goed Brouwers zich zijn vroege jeugd herinnert, zoals hier wanneer hij nog een kleuter is:
"Om zijn zalfwitte woorden niet te horen begin ik het driftig samendrukken van mijn krachten van gekreun te voorzien. Ik krijg het visioen van water, waarin toch vuur brandt, dat vuur ben ikzelf, ik weet wat er binnen enige ogenblikken zal gebeuren en ik zal het uitschreeuwen van haat: misschien is dat 'de duivel'. Mijn vader steekt zijn handen naar mij uit, en al wil ik het niet, ik begin met mijn vuisten om mij heen te maaien, al wil ik het niet, ik begin hem krijsend te slaan, al wil ik het niet, ik sla hem de boot van zijn hoofd. Integendeel, ik wil hem omhelzen, mijn liefde voor hem is zo groot als ik zelf ben, en hem zeggen alle woorden die ik al kan spreken, opdat niemand in mij wone dan u alleen, maar ik kan het niet. Ik kan het niet. Bezield van liefde, kan ik mijn liefde niet uiten, of ik blijk het te doen in een taal die niet wordt begrepen, ik sta aan de verkeerde kant, mijn liefde gaat verloren."
Deze roman maakt deel uit van zijn Indië-trilogie, samen met Bezonken rood en De Zondvloed en is een kleine maar fijne must-read voor elke lezer die naam waardig.
De versie die ik las heeft wel één van de lelijkste covers uit de geschiedenis van de mensheid. Dankzij de bibliotheek van Sint-Amandsberg moet ik zo'n gedrocht niet in mijn eigen boekenkast dulden, maar kan ik het binnenkort gewoon terugdragen zodat anderen zich erover kunnen verbazen dat er eind jaren 1970 blijkbaar blinde grafisch ontwerpers aan de bak konden in het uitgeverswereldje.
"Tot op dit stipje tijd, dat ik schrijf, is mijn vuist gebald. Misschien als ik sterf, dat hij ontspant." Bovenstaande zin zegt veel over Brouwers. Kindherinneringen uit Nederlands Indië van Brouwers. Een novelle vol van dansende en verbeeldende taal. Diepte in het verhaal en in iedere zin. Een wereld waar ik niets van ken, en toch sta ik er middenin. Een zeer persoonlijk verhaal vol woede, haat, liefde, onbegrip. Een klein meesterwerk.
De versie die ik las (6de druk) is zonder de polemische uitvallen die in de eerste 4 drukken waren opgenomen, en door Brouwers zelf de voorkeur gegeven deze te schrappen vanaf de 5de druk. Misschien zoek ik wel eens een eerdere druk om ook die inzichten mee te krijgen.
Kort geleden las ik "Zonsopgangen boven zee", mijn eerste en veel te late kennismaking met Jeroen Brouwers. Die kennismaking was dermate indringend dat ik meteen daarna "Het verzonkene" las, het eerste deel van Brouwers' Indië- trilogie. Maar nu ik dat uit heb wil ik meteen verder met de volgende delen, "Bezonken rood" en "De zondvloed". En ik denk niet dat het daarbij blijft. Want die Brouwers, die bevalt mij wel.
Waar "Zonsopgangen boven zee" mij overweldigde door zijn muzikale en obsessieve intensiteit, sleepte "Het verzonkene" mij mee door zijn schoonheid en weemoed. Daar moet ik wel bij zeggen dat ik een late editie van deze roman las: een editie waar Brouwers allerlei polemische passages uit heeft geschrapt, waarin hij zich op felle toon engageerde voor moeilijk toegankelijke schoonheid en waarin hij zich krachtig verzette tegen iedereen die hem van al te makkelijke nostalgie betichtte. Ik snap waarom Brouwers die passages in latere edities geschrapt heeft: de context van deze polemiek is helemaal in de vergetelheid geraakt, zodat de polemiek voor de huidige lezer moeilijk te volgen is. Toch had ik wel willen weten hoe deze roman er met deze passages uit had gezien. Maar ja, wie weet zoek ik dat later nog een keer uit. En ook van deze gesnoeide versie genoot ik volop.
De roman heeft, net als de andere twee delen van deze trilogie, een sterk autobiografische inslag. Het is echter geen conventionele biografie, maar een werk vol scheppende verbeelding. Het gaat over het Indië van Brouwers' prille jeugd, "maar voor mij is dat 'Indië' een droomland geworden, een land waar ik in een vorig leven ben geweest. Soms rijst dat land nog achter mijn ogen op, steeds vager, de zee tussen mij en dat land wordt breder. Mijn vorige leven is: mijn vóórkleuterse tijd, waarin ik nog geen besef had van taal". Het gaat dus niet primair om Indië als een nog aanwijsbaar land, maar om een verloren kindertijd. Meer nog: om een vorig leven, dat nu alleen nog als droom aanwezig is, dat vooraf ging aan taal en denken, en dat zich niet meer in taal en denken laat vatten. Een droomtijd en droomregio waarvan de ik- figuur (Brouwers) door een steeds breder wordende zee van wordt gescheiden. En dat zelfs in de zee is verzonken, net als het mythische en schone Atlantis. Ja, soms herschept hij die droomtijd en dat droomland in heel pakkende bewoordingen, en met indringende directheid: "In deze geluiden is onbedreigdheid en vrede. Ik hoor het schijnen van de maan. Ik hoor het ontstaan van een ei in een vogel. Ik hoor het groeien van bomen. Soms regent het. Van de avondgeluiden maakt ook het vioolspel uit. Dat is mijn grootvader die op zijn Guarnieri speelt. Ik denk wel eens: dit mengsel van geluiden, dat ik hoorde tussen schemering en nacht, voordat ik onder zeil ging. vóór mijn derde jaar, sluimergeluiden, droomgeluiden, de geluiden van de stilte, - dat is tempo dahoeloe. De geluiden van Goudland. Atlantis is nog niet verzonken". Maar als volwassene is de ik- figuur vervuld van walging, levenshaat, afkeer en onvermogen, deels door het besef dat dit zo mythische Atlantis voor hem juist wél is verzonken. En volgens mij ook door het besef dat hij er nooit helemaal in slaagt dat mythische, verzonken Atlantis weer helemaal in zijn volle glans tot leven te roepen. Ook niet in zijn verbeelding, ook niet in zijn schrijven. Al is zijn schrijverij de enige plek waarin hij nog wil wonen, en is het schrijvend weer glimpen oproepen van die verzonken schoonheid het enige wat hem nog levensvreugde geeft. Zij het een levensvreugde vol kwellingen over het onherroepelijk verlies van het verzonkene.
Dat verlies, en dat onvermogen om die gedroomde kindertijd weer te bereiken, wordt naar mijn smaak mooi voelbaar gemaakt. Bijvoorbeeld in enkele passages waarin de ik- figuur, de romanfiguur Jeroen Brouwers zoals de schrijver Jeroen Brouwers hem in deze roman verbeeldt, op meeslepende wijze zijn levenshaat en walging ventileert. Maar ook in de structuur van de roman als geheel. "Het verzonkene" bestaat namelijk uit korte hoofdstukken die niet in elkaar doorlopen, vertelt dus geen lineair en sluitend verhaal, en demonstreert daarmee dat het Atlantis van de prille jeugd alleen nog in discontinue fragmenten kan worden naverteld en herinnerd. Die herinneringen zijn bovendien vol passages over mensen die in dampen vervagen, of over filmbeelden zonder geluid en met verkeerde belichting: filmbeelden waarin Brouwers' grootvader bijvoorbeeld nog wel voortleeft, maar als geluidloos en bijna vormeloos spook. Wat omineus is, omdat tussen de regels door duidelijk wordt dat grootvader de Jappenkampen niet heeft overleefd, en ook omdat Brouwers' grootvader het als twee druppels water gelijkende evenbeeld was van Brouwers. Eveneens veelzeggend zijn passages over andere filmbeelden van lang geleden, met daarin wuivende mensen die "zwaaien naar het voorbije". Brouwers schrijft bovendien ook: "Mijn heimwee betreft niet 'Indië', maar de tijd dat ik leefde zonder te denken, ik heb heimwee naar wat in mijzelf is verloren geraakt en waarvan ik zelf niet precies meer weet wat het is geweest, - klaarte die is veranderd in troebelheid, water dat is veranderd in denken aan stikken en dood". Dat laatste beeld rijmt wel heel pregnant met een latere passage, waarin de ik- figuur staart naar het "gouden water" dat vroeger zijn paradijs was, en dat nu van smerigheid is doordesemd. Waarbij precies die smerigheid, die troebelheid waardoor het water ook bijna letterlijk is veranderd in "denken aan stikken en dood", het onherroepelijke verlies van zijn paradijs symboliseert. En tja, het verzonken Atlantis is door water verzwolgen, en ook dat rijmt in mijn beleving weer met het motief van "stikken en dood".
Het verlies van die gedroomde kindertijd, het verzonken zijn ervan, komt dus in deze roman wel heel pregnant tot uiting. Tegelijk echter staat "Het verzonkene" ook vol met passages waarin Atlantis nog niet verzonken is, en waarin er mooie en ontroerende glimpen oplichten van die voorkleuterse droomtijd. Hierboven citeerde ik al zo'n passage. Heel mooi vind ik bovendien de scène waarin de nog piepjonge, voorkleuterse ik- figuur zwemmen leert van zijn moeder. In die scène is het water nog vol klaarte, die nog niet wordt verdrongen door troebelheid, stikken en dood. Ook is die scène vol van een soort onderwaters communiceren en spreken dat vooraf lijkt te gaan aan de woorden, dus aan de taal van de volwassenen. Bijvoorbeeld: "Onder water zegt mijn moeder woorden, ik hoor de klanken ervan. Een waterwezen, niet mijn moeder, spreekt mij toe. Ik zie de woorden als bellen uit haar mond komen en overal om mij heen opstijgen en opspatten". Of: "Er begint in mijn hoofd gegons te klinken: misschien is het onderwatertaal. Wat ik zie zijn de ogen van mijn moeder, maar niet het groen ervan, ze gaan dicht en sperren zich weer open, tjilepoek. Waar ik heen op weg ben is het zachte bewegen van klamboesluiers, ik zal er kunnen lezen, boeken vol schitter en van een treurigheid die toch gelukkig maakt. Ik steek mijn armen naar mijn moeder uit en ik ontdek: Ik begin in het water op te stijgen. Het allerdonkerst groen dat om mij heen is geweest verandert in lichter groen en dat verandert in goudgespetter". Natuurlijk, de volwassen ik- figuur betreurt walgbrakend het verlies van deze gedroomde idylle, en treurt diep over de "klaarte die is veranderd in troebelheid, water dat is veranderd in denken aan stikken en dood". Dat doet je als lezer beseffen dat ook de hier zo mooi beschreven klaarheldere waterwereld vertroebeld zal raken, en inmiddels zelfs al vertroebeld IS. Maar tegelijk bewonder ik de enorme schoonheid van die waterwereld, de virtuositeit waarmee Brouwers ons deze verloren waterwereld toch voortovert, de meeslepende wijze waarop hij ons toch glimpen laat zien van een vóórkleuterse tijd, waarin de ik-figuur nog geen besef had van taal. Glimpen misschien zelfs van de voorgeboortelijke tijd, waarin het kind nog zwemt in het baarwater, en nog nauwelijks een gearticuleerd besef heeft van zijn binnenwereld en de buitenwereld. En dus nog niet weet hoe teleurgesteld hij in beide werelden zal raken.
"Het verzonkene" is vol van verlies en gemis, en ik bewonder de opmerkelijk eloquente verwoording daarvan. Maar ik bewonder nog meer de schoonheid van Brouwers' taal, vooral in die passages waarin het verzonken en verloren Atlantis toch voor even oplicht. En ik ben uiterst benieuwd naar de volgende twee delen van Brouwers Indische trilogie.
Ik had het gelezen als eerste van de Indiëtrilogie gepubliceerd in 1992 (en dus een danig opgekuiste versie) maar was nadien gestopt nu zo'n 29 jaren geleden. Waarschijnlijk omdat ik het te zwaar op de hand vond, te nihilistisch. Maar schitterend verwoord.
Ik greep onlangs terug naar de Indiëromans nadat ik Cliënt E. Busken had uitgelezen en begon met het herlezen van Het verzonkene. Het blijft een vrij somber boek maar ik kan het nu wel appreciëren als onderdeel van een groter geheel. Een echte Brouwers. Nooit een vrolijke Frans geweest. Het begin van de trilogie met flashbacks uit zijn kindertijd in de Nederlandse kolonie tot een 'jappenbom' net naast de zandbak waarin hij zit te spelen valt.
"Mijn heimwee betreft niet 'Indië', maar de tijd dat ik leefde zonder te denken, ik heb heimwee naar wat in mijzelf verloren is geraakt en waarvan ik zelf niet precies meer weer weet wat het is geweest, - klaarte die is veranderd in troebelheid, water dat is veranderd in denken aan stikken en dood."
"Water. Alles raakt er in verzonken, alles wordt water. Misschien ben ik wel nooit in 'Indië' geweest."
"Wanneer ben ik 'gelukkig' geweest? Ik bezit geen enkele bewuste herinnering aan 'geluk', ik ben onrustig sedert mijn kindertijd, ik ben ziek van wantrouwen en angsten. Ik houd de mensen op grote afstand en gelijktijdig ben ik bang van alleen-zijn. ... Ik heb geen hoop. Ik neem niet langer deel aan het leven, ik zal mij in een nog grotere afgelegenheid nog meer afzonderen tot ik onvindbaar ben : - in mijn schrijverij."
"Mijn leven lang ben ik een andersoortige eend geweest."
“Tussen waken en slapen is er steeds de zee om in gedachten naar te kijken: het is tussen licht en nietlicht, tussen eb en vloed, het water is tussen wild en kalm en eigenlijk op zijn onrustigst, het voert dingen aan die over het strand naar mij toe worden geschoven, soms herken ik daar dingen van, reinig mij, houd van mij. Het zeegeluid, misschien is dat het geluid van de taal van gestorvenen.”
“(…) niemand in mij wone dan u alleen, maar ik kan het niet. Ik kan het niet. Bezield van liefde, kan ik mijn liefde niet uiten, of ik blijk het te doen in een taal die niet wordt begrepen, ik sta aan de verkeerde kant, mijn liefde gaat verloren.”
Zeker is, dat ik er ben. Ik zal nu verder wel zien.
Over alles is zo goed nagedacht, elk woord en elke zinsopbouw en elke paragraaf en elke hoofdstuktitel zijn zo bewust gekozen. Ik vind die Indonesië literatuur altijd wel moeilijk want ik denk gewoon de hele tijd: jij hoort hier niet! Maar uiteindelijk ben je gewoon een kind en beland je ergens zonder dat je dat wil en dan zie je wel ofzo.
Knap als je je dromen zo op kunt schrijven, maar het wordt nergens echt een roman vind ik, vooral een verzameling schetsen. Knap, maar niet meeslepend.
Ik had een vroege uitgave, met heel veel polemiek. Vanaf de vijfde druk is dat weggelaten, en waarschijnlijk had ik dat meer sterren gegeven. Brouwers schrijft uitstekend, boeiend.
The sequel to Bezonken Rood. In his own characteristic Brouwers style he reminisces his childhood in the Dutch West Indisch after the Japanese concentration camp. It is melancholic with a beautiful language use.
Merkwaardig: ergens tussen 1983 (mijn editie) en deze eeuw (de e-boekversie die ik ook bekeek) heeft Brouwers ongeveer een derde van de tekst geschrapt: van 144 pagina's is het in de nieuwste edities teruggebracht tot ruim 90 bladzijden. Zo te zien zijn het de hoofdstukken over de auteur in het heden die hij eruit gerauscht heeft. Maar waarom? Misschien moet ik het eens herlezen om daar achter te komen.