De Meelstreep is een interessante blik op een onderbelichte periode in de vaderlandse geschiedenis. Waar in het collectieve geheugen met 5 mei 1945 het einde van de oorlog wordt geassocieerd, is de historische werkelijkheid veelal ondoorzichtiger en chaotischer. Dit boek probeert een beeld te scheppen van de moeilijke periode vlak voor, tijdens en na de bevrijding, van de terugkeer, opvang en intergratie van oorlogsslachtoffers. Wat daarbij vooral duidelijk wordt is, dat na het verdwijnen van een gezamelijke vijand, de verschillende bevolkingsgroepen over elkaar heen vallen op zoek naar erkenning. En dat ze daarbij vaak elkaar het licht niet in de ogen gunde. Gevoelens van verongelijktheid, al dan niet terecht, waren dan ook wijd verbreid. Dit alles gevoed door een overheid die vooral oog had voor een zo snel mogelijke wederopbouw van economie en gemeenschapszin. Voor individuele grieven was weinig tot geen ruimte.
De kracht van de Meelstreep is dat ze gedetailleerd deze sfeer van bekrompenheid en kleingeestigheid goed weer geeft. Waar het boek minder in slaagt is een ruime aandacht voor persoonlijke ervaringen. Er zijn her en der wel verslagen van individuele belevenissen, maar het boek wordt toch vooral beheerst door ambtelijke strubbelingen, commissie's en belangenorganisaties vechtend voor erkenning, en ook veel wettelijke regelingen die van toepassing waren op de verschillende groepen oorlogsslachtoffers op zoek naar erkenning en compensatie.
Een andere tekortkoming van het boek is de moeizame structuur. Er is gekozen voor een vage thematische aanpak die wel uitgebreid wordt verantwoord, maar in de praktijk erg formalistisch, vaak krampachtig en veel al onbegrijpelijk is. Het leidt er in in ieder geval toe dat verschillende onderwerpen op meerder plekken aan bod komen, en daarbij soms eindeloos herhaald worden. Het voelt soms alsof verschillende onderzoekers een bijdrage hebben geleverd, maar niet elkaars stukken hebben gelezen. Uit de verantwoording blijkt ook wel dat verschillende onderzoeksgroepen zich op specifieke onderwerpen hebben gestort. Dat is misschien ook wel logisch bij een zo veelomvattende onderzoeksvraag, maar enige redactie was toch wel fijn geweest. En het blijft dan wel vreemd Martin Bossenbroek als enige auteur vermeldt staat. De gebrekkige structuur van het boek valt daarnaast misschien ook te verklaren uit het gegeven dat het gaat om een in opdracht gedaan onderzoek door de Soto (Stichting onderzoek terugkeer & opvang). Sommige hoofdstukken en paragrafen voelen alsof ze er door de opdrachtgever in gepusht zijn terwijl de onderzoekers het daar misschien niet mee eens waren.
Kortom, inhoudelijk interessant, maar in uitwerking omslachtig en zichzelf veelal herhalend. Als onderzoek belangrijk, als boek niet echt geslaagd.