Ieder gewoon mens moet werken. Een predikant - zo heeft de Deense dominee Kaj Munk niet zonder humor opgemerkt - is daarvan vrijgesteld, hij heeft alleen maar vrije tijd om te preken en om te herderen over zijn kudde: zieken bezoeken, dopen, huwelijken inzegenen, begraven, wat niet al.
Nico ter Linden (1936) heeft dat zijn leven lang met hart en ziel gedaan, op het platteland en in de Westerkerk te Amsterdam, in ziekenhuizen en gevangenissen. In dit boek ziet hij daarop terug en vertelt hij erover, zoals alleen hij dat kan: over het gezin waarin hij werd geboren, over de leermeesters die hem vormden en over de vele kostgangers van onze lieve Heer die hij mocht ontmoeten. Zijn predikantschap bracht hem een schat aan ervaring, en daarom valt er van alles te leren uit Alleen maar vrije tijd. Do's and don'ts voor dominees en priesters, handreikingen van inhoudelijke en van praktische aard. Een aanstekelijk boek, voor vakgenoten maar evenzeer voor iedereen die het reilen en zeilen van de kerk ter harte gaat en zijn geloof nog even niet aan de wilgen wil hangen.
In Alleen maar vrije tijd (2010) blikt wijlen dominee Nico ter Linden (1936–2018) – bekend van zijn boekenreeks Het verhaal gaat... – terug op zijn ambt. Vanuit zijn ruime ervaring als predikant op uiteenlopende plekken – van de Westerkerk in Amsterdam tot ziekenhuizen en gevangenissen – reflecteert hij op de vele facetten van het domineesvak. Hij behandelt onder andere de eredienst, de prediking, rites de passage, de sacramenten en het pastoraat. Daarbij deelt hij niet alleen zijn eigen ervaringen, maar wijst hij ook waar hij het vandaan heeft: van zijn leermeesters en van concrete leermomenten. Als lezer word je deelgenoot van hoe hij zijn vak heeft geleerd én beleefd.
De titel Alleen maar vrije tijd verwijst naar een uitspraak van de Deense predikant en verzetsheld Kaj Munk. Ter Linden: “Zo heb ook ik alleen maar vrije tijd gehad en die is mij vergund tot op de huidige dag. Een deel ervan wil ik gebruiken om dit boekje te schrijven. Ik wil graag iets over mijn werk vertellen, over hoe dit vogeltje gezongen heeft, over wat ik in de loop der jaren geleerd heb en wat ik ermee heb gedaan” (p. 9). Het boek is daarmee zowel een persoonlijk getuigenis als een doorgeefluik van inzichten en lessen – inclusief praktische adviezen, of, zoals hij het zelf noemt: “do’s en dont’s voor dominees en priesters.”
Toch is het boek nadrukkelijk geen handleiding. Het biedt veeleer een inkijk in Ter Lindens persoonlijke stijl en benadering. Die stijl is soms uitgesproken, met name met betrekking tot de liturgie (Ter Linden is een ‘laagliturg’). Daarbij kan hij ook kritisch zijn, bijvoorbeeld als het gaat over het opstaan bij de evangelielezing, een gewoonte in sommige kerken: “Ik vind dat de concentratie niet bevorderen en het is in mijn ogen ook onheus tegenover Mozes en Elia: waarom alleen voor Jezus in de benen gaan en niet voor zijn grote vrienden?” (p. 54).
Ter Linden toont zich een pleitbezorger van een open kerk: een kerk die niet enkel de “gediplomeerde gelovigen” bedient, maar ook oog heeft voor de “amateurs” en “vreemdelingen in Jeruzalem”. Deze visie komt terug in de verschillende onderdelen van het ambt die hij bespreekt. Zijn streven is om iedereen recht te doen, met een voorkeur voor laagdrempeligheid die nooit ten koste gaat van de inhoud.
Voor mij sprong vooral het hoofdstuk over het pastoraat eruit. Hierin schrijft hij, wederom vanuit ervaring, over de praktijk van het pastorale werk: van huisbezoeken tot crisisinterventie en groepspastoraat. Door schade en schande wijs geworden, reikt hij de lezer waardevolle inzichten aan: “Dat het voeren van een helpend gesprek een ambacht is, heb ik na mijn studie met schade en schande moeten leren” (p. 197). Naast reflecties over gespreksvoering en interventies, geeft hij ook praktische tips: hoe je stoelen plaatst, hoe je afspraken maakt – inclusief het belang van het noemen van zowel tijdstip als duur (“dan hebben we drie kwartier de tijd”).
Bijzonder zijn de drie kernvragen die volgens hem altijd op de achtergrond meespelen in een pastoraal gesprek: why, why now, why me? – “Waarom komt die ander, waarom komt hij nu en waarom komt hij bij mij?” (p. 202–203). Antwoorden op deze vragen zijn zelden eenvoudig te vinden. De pastorant – die Ter Linden in zijn boek ‘cliënt’ noemt – komt meestal niet direct ter zake, maar maakt “een omtrekkende beweging”. Dominee Ter Linden heeft geleerd wat de pastorant doet of kan doen (zoals de omtrekkende beweging), maar heeft ook geleerd hoe hij hier op kan reageren.
Zijn adviezen zijn vaak verrassend eenvoudig én effectief. Eén daarvan is het gebruik van het woord “vertel” – een uitnodiging aan de ander om de laag van de abstractie te verlaten. Dit hoofdstuk – en breder: het hele boek – onderstreept dat het predikantschap een vak is, precies zoals de ondertitel van het boek suggereert. Ook al zijn de adviezen relatief eenvoudig in te zetten, het is een vak om ze juist in te zetten: op het juiste moment en bij de juiste persoon.
Ter Linden is onlosmakelijk verbonden met de Bijbelverhalen. Zijn fascinatie blijkt uit zijn fantastische serie Het verhaal gaat..., maar ook in dit boek krijgt dat een vervolg. In het hoofdstuk Op verhaal komen, dat volgt op zijn betoog over pastoraat, stelt hij dat de pastor allereerst een luisteraar moet zijn, maar óók een verhalenverteller: “Maar wat zij [zielzorgers] vervolgens evenzeer moeten leren, is verhalen vertellen, woorden en beelden aanreiken uit het Goede Boek dat de kerk der eeuwen is toevertrouwd, alsmede andere woorden en beelden uit de schatkamers van onze cultuur” (p. 242–243).
Verhalen ordenen en bieden ruimte tot herkenning. Ter Linden beschrijft hoe hij de kunst heeft geleerd om met deze verhalen te spelen – “met de gestalten die die verhalen bevolken” (p. 247). De inzet van (Bijbel)verhalen is een mooi middel om zo’n verhaal te laten resoneren. De pastor moet ook een “schatbewaarder” zijn.
Met veel plezier heb ik dit sympathieke boek gelezen. Ter Linden deelt iets van zichzelf, ten bate van de ander. Hij toont zijn stijl, geeft praktische adviezen, maar zonder dwingend te zijn of de indruk te wekken dat zijn manier de enige juiste is. Zoals gezegd: hij maakt zichtbaar dat het dominee-zijn (of breder: pastor-zijn) een vak is – een ambacht dat hij heeft geleerd dankzij leermeesters, maar vooral door oefening en ervaring. Zijn milde toon, zijn liefdevolle aandacht en respect voor de ander zijn inspirerend. Natuurlijk zijn de kerkelijke praktijken inmiddels veranderd ten opzichte van de tijd waarin Ter Linden pastoraal actief was, maar de essentie blijft overeind. Dit boek is – kortom – van grote waarde voor ieder die zich betrokken weet bij het pastoraat, of overweegt daarin een rol te spelen.