Au pair (1989) is niet het bekendste boek van Hermans, maar verdient zijn plaats in diens oeuvre. Kort gesteld vertrekt "de negentienjarige, 1 meter 92 lange Paulina uit Vlissingen" naar Parijs om daar Frans en kunstgeschiedenis te gaan studeren. Om rond te komen, zoekt ze een functie als au-pair. Aanvankelijk komt ze in een huis terecht waaruit elk weldenkend mens – en zeker een jonge vrouw – gillend zou wegvluchten, maar wanneer Paulina daarna intrekt bij een oude generaal in de rue Guynemer, lijkt het geluk haar toch toe te lachen.
Het verhaal kent uiteindelijk zoveel plotwendingen, dat ik me als lezer geen verwachtingen meer durfde te maken. Ik waardeer het werk van Hermans juist daarom: het is in de eerste plaats een goed en spannend verhaal. Het perspectief van de au-pair is origineel en geloofwaardig. Voor de moderne lezer zal dit werk uit de jaren tachtig soms moeilijk te verteren zijn vanwege de vele #MeToo-momenten, maar desondanks kon ik moeiteloos vergeten dat de schrijver - toen de zestig al voorbij - zelf zo ver af stond van de wereld van zijn hoofdpersoon.
In de tweede plaats speelt Hermans met de Franse cultuur en toont hij de stad waarin hij woonde in al haar pracht. Dat een groot deel van de gebeurtenissen zich in mijn buurt – het zesde arrondissement van Parijs – afspeelde, bracht het verhaal voor mij dichtbij. Au pair is voorts een ode aan de kunst: van de dweepzucht met de componist Alkan door de zoon van de generaal, tot diens eigen voorliefde voor de vergeten Nederlandse journalist en schilder Constantin Guys, die geestig omschreven is.