In Berichten van een landheer wordt geschetst wat de Hollandse emigrant op het Hongaarse platteland en in het ‘Parijs van het Oosten’ meemaakt en registreert. Toen de schrijver van deze berichten in 1991 in Boedapest kwam, hing er laag in de straten een doordringende bruinkooldamp, waren de negentiendeeeuwse gevels doorzeefd met kogelgaten en de brede boulevards gevuld met Trabantjes. Voor het equivalent van anderhalve euro kocht men in de Piaf bar, op dat moment de enige nachtclub van de stad, een fles Hongaarse champagne en was men de koning. De schrijver werd op een vrouw, een stad en een land – in die volgorde. Twaalf jaar later vervulden zij samen een oude ze kochten een bouwval in Boedapest en een herenboerderij en akkerland in de zuidelijke heuvels van Hongarije en gingen het leven van weleer leiden. Zomers op het land, ’s winters in de stad. In een heldere stijl en met oog voor detail verweeft Jaap Scholten het persoonlijke en het historische en schept het beeld van een veranderende samenleving en – vooral op het Hongaarse platteland – van een verdwijnende wereld. Daarnaast beschrijft Scholten zijn pogingen voet aan de grond te krijgen in een nieuw land – als landheer.
Jaap Scholten (1963, Enschede) woont sinds 2003 in Hongarije, afwisselend in Boedapest en op het platteland omringd door wilde zwijnen en jakhalzen.
Scholten debuteerde in 1995 met de roman Tachtig, die prompt op de longlist voor de AKO Literatuurprijs belandde, evenals Morgenster (2000). De wet van Spengler (2008) werd door Selexyz uitgeroepen tot Boek van het Jaar. Met Kameraad Baron kwam hij op de shortlist voor de Bob den Uyl-prijs en won hij de Libris Geschiedenis Prijs 2011.
Zijn boeken en verhalen zijn vertaald in het Engels, Duits, Frans, Hongaars, Kroatisch en Roemeens. In 2014 publiceerde Scholten Horizon City bij AFdH Uitgevers. Zijn nieuwste roman Suikerbastaard, waarin Frederik Spengler, het hoofdpersonage uit De wet van Spengler, weer zijn opwachting maakt, verscheen in april 2020.
In zijn columns in NRC Handelsblad, waarvan een selectie verscheen in Heer & Meester (2008), schetst Jaap Scholten een beeld van de veranderende samenleving van ‘de voormalige Dubbelmonarchie’, zoals het in de ondertitel luidt, de Oostenrijks-Hongaarse monarchie, die duurde van 1867 tot 1918. Hij beschrijft de resten van de oude, vervallen wereld en heeft daarbij vooral oog voor de rol van de aristocratische families. Maar ook de problemen die zich voordoen bij zijn vestiging in een voor hem totaal onbekende samenleving en de rol van het toeval komen aan de orde. Een persoonlijke verhaal over een veranderende samenleving en een verdwijnende wereld. Beeldend en bij vlagen hilarisch vertelt Scholten hoe het is je te vestigen in een nieuw land.
Ik las eerder 'Reisavonturen & Bedevaartstochten' van deze reiziger, vond het afwijsselend, geestig en leerzaam, en was dus zeer geintereseerd in zijn Hongaarse avonturen, zoals beloofd in dit boek. Ik raade zelfs een bevriende lezer dit boek aan - vooral ook omdat betrokkene met een Hongaarse getrouwd is, maar toch - en uiteindelijk gaat het boek enigszins uit, wat mij betreft, terwijl men het leest. Het vuur en de gein waarmee het begint lekt enigszins uit de stukjes, en voor men het weet zit men even onrustiog te bladeren om te kijken (a) of dit specifieke stukje al afgelopen is en (b) hoeveel stukjes hierna nog?
De neergang kan misschien mede veroorzaakt worden omdat de hoofdstukken oorspronkelijk bijdragen aan NRC waren, wekelijkse bijdragen zelfs geloof ik, en dus was de plichtmatigheid wellicht de vijand van het spontane. Het is nog steeds een boek wat zich niet al te veel verzet tegen uitlezen, en ik heb een beetje een idee van wat Jaap Scholtens idee is van de gemiddelde Hongaar.