Twintig verhalen (van 1 tot 12 bladzijden lang) vormen het prozadebuut van Oosterhoff. Ik heb het vorig jaar tweedehands gevonden in De Witte Zee in Oostende en nu heb ik het verorberd. Kort maar stevig ingedikt zijn deze verhalen. Oosterhoff peilt naar de diepte van een situatie of personage eerder dan dat hij een verhaalontwikkeling nastreeft. Als er zich al iets ontwikkelt is het de lezer die mee de puzzel mag helpen oplossen. Oosterhoff schrijft voortdurend zinnen die je doen uitroepen: 'ja, zo is het!', zoals hij later zelf over het werk van o.a. Tsjechov schreef. Prachtige, unieke zinnen zoals (in een pre-1995-spelling) 'De lijster schrok van een eigen gedachtengang en vloog met een luide alarmkreet naar de onderste tak van de ceder.' (20) 'Zij was de lichtste van de tweeling Bos, het veertje (Angelique was de kogel).' (40) 'Haar mond was vol Zwiters gebak. De kruimels waaiden als kogels in zijn gezicht.' (60) 'Het zand voor de nieuwe woonwijk is al gestort; als een branding ligt het aan de horizon.' (80) (en waarom ik van p. 100 geen zin citeer moet je maar zelf uitpluizen.) Los van de vele sterk observerende zinnen, waarmee hij een nieuwe maatstaf voor het realisme zet, laat hij aan de lezer de ruimte om van vervreemding naar betekenisvolheid te groeien, telkens opnieuw. Die ervaring was voor mij het sterkste bij de volgende verhalen: 'Kleine pedagogiek', 'De ijzeren wil van de mens, 'Nazaad', 'Prooi', 'Tsjechische animatiefilm', 'De dokter' en 'Ikzwakte'.