Een beetje ‘Zwitserland-centrisch’ boekje over 12 wereldberoemde economen (die je moet kennen).
Het begint al sterk, met (in de inleiding) de oer geschiedenis van de economie in het oude China (7e eeuw v. Chr.: Kuang Chung, 6e eeuw v. Chr.: Lao Tse), dan het oude Griekenland (Xenophon, Plato, Aristoteles). Van de Romeinen wordt uitgelegd dat er van hen weinig economisch gedachtengoed valt te verwachten omdat het Romeinse Rijk vooral gebaseerd was op uitbuiting van veroverde gebieden. Hun geleerdheid uit zich in de krijgskunst en de rechtspraak (bezit en aanschaf van grond, contractvrijheid). Pas in de middeleeuwen komt er weer vaart in het economisch denken. Maar daar waar in de oudheid de relatie tussen mens en gemeenschap centraal stond wordt het Middeleeuws denken gedomineerd door de relatie van mens en God. Daarbij is winstbejag een ethisch probleem en vooralsnog verwerpelijk. Pas als er gebroken wordt met het renteverbod komt men tot gedachten over krediet als investering, over activiteiten met een opbrengst in de toekomst. Met de komst van het cijfer nul, de dubbele boekhouding (d.w.z. een systematische registratie van inkomsten én uitgaven) en de opkomst van het mercantilisme (om via bescherming van eigen handel een positieve handelsbalans te creëren, ter financiering van wat de gekroonde hoofden belangrijk achtten), komen we dicht bij de geboorte van de moderne economie. Via William Petty (1623-1787), die de waarde van Engeland berekende (667 miljoen pond) en daarmee de eerste macro-econoom was, komen we bij de vader van de moderne economie: Adam Smith.
Dan gaat het echt van start met korte meer of minder persoonlijke biografietjes en een poging de belangrijkste gedachten van de 12 kernachtig samen te vatten. Dat lukt aardig. (Bij bekritisering of verdieping wendt de auteur zich regelmatig tot Zwitserse economen. Dat wordt begrijpelijk als je je realiseert dat iets meer dan de helft van de auteurs redacteuren waren van het blad Bilanz, de Zwitserse Quote).
Adam Smith wordt uiteraard geportretteerd en gewaardeerd als grondlegger van de economische wetenschap, d.w.z. economie als zelfstandige discipline. De auteur behandelt ook de ‘misbruik’ die gemaakt wordt van het gedachtengoed van Smith, met name diens vermeende verdediging van de hebzucht als positieve drijfveer. De bron van de welvaart ligt volgens Smith in de factor werk. Smith ziet niet alleen wat arbeiders presteren maar heeft ook oog voor hun lijden. Daarbij wil Smith niet dat de overheid zich volledig terugtrekt. Hij constateert: ‘Zakenlieden uit dezelfde branche komen zelden bijeen zonder dat het gesprek uitmondt in een samenzwering tegen de regering of zonder dat er een of ander plan wordt bedacht over hoe men de prijzen kan verhogen’. Smith zet zich af tegen mercantilisme. Daarom moet de overheid zich niet te veel bemoeien met de handel, iets dat in zijn tijd juist wel gebeurt, waar hij zich tegen afzet en wat de reden is dat hij zich uitspreekt voor vrije handel. Hij is dan ook geen voorstander van, wat vaak over hem wordt beweerd, een zuiver onbeperkt kapitalisme.
Verder passeren de revue: David Ricardo (de dalende marginale productiviteit & comperatief voordeel & methodiek van de eenvoudige modellen), Karl Marx (kapitalisme als voorwaarde tot een hogere maatschappelijke levensvorm: communisme), Leon Walras (economie als wiskundige wetenschap, brievenschrijver en vertaler -spil voor internationale kennisuitwisseling), John Maynard Keynes (de staat moet economisch beleid tot haar taak maken en streven naar volledige werkgelegenheid d.m.v. tijdelijke (!) deficit spending, nam deel aan en had kritiek op Vrede van Versailles, nam deel aan de Bretton Woods-conferentie), Friedrich August von Hayek (voorvechter van de vrije markt, tegenstander van politiek links), Peter F. Drucker (die management tot een economische discipline maakte), Milton Friedman (monetarisme, wilde voor inkomens onder het bestaansminimum een negatieve belasting, neoliberale ommekeer - verbreedde de kloof tussen arm en rijk, zijn theoretische modellen hadden geen relatie met de reële economie en ‘Zijn statistieken zijn zo vals als een biljet van drie dollar’), John Forbes Nash (wiskundige tussen genialiteit en waanzin, speltheorie, A beatiful mind), Amartya Sen (pragmatische wereldverbeteraar, honger is niet het gevolg van een tekort maar van een onjuiste verdeling, het geweten van de beroepsgroep van economen, Human Development Index), Hernando de Soto (geef mensen eigendomsrechten en zij zullen meer van hun bezit maken, schaduweconomie: in de 3e wereld 20-70 % van BNP, rechteloosheid + bureaucratie = juridische apartheid), Joseph Stiglitz (markten zijn niet perfect omdat niet alle marktspelers evenveel weten, kritiek op aanpak van IMF – heeft onder meer gefaald bij de catastrofale overgang van Rusland naar een schijnbare markteconomie, de complexiteit van de reële economie vraagt zoveel denkkracht dat men liever uitgaat van fraaie theoretische modellen).
Het boekje geeft kadertjes met de visie van prominente aanhangers, korte typeringen van de belangrijkste werken, tijdbalkjes met persoonlijke gebeurtenissen náást die met wereldgebeurtenissen en geeft rijtjes met achtergrondliteratuur. Al met al nodigt het geheel uit tot verdere studie, en dat lijkt mij een waarde op zich.
Es un texto muy interesante. De manera sintética y con una técnica estilo biográfica, los autores nos describen a los principales economistas a lo largo de la historia, con detalles de su vida, sus principales aportes y un detalle de sus principales obras. Adam Smith, Karl Marx, Keynes, Drucker, Friedman, Stiglitz, entre otros.
Een leuk proevertje van het buffet van de economische wetenschap, dat de lezer echter met honger achterlaat, gegeven de focus op het leven van de economen én de reacties op hun werk, eerder dan op hun theorieën zelf.
Está escrito en forma sencilla, así que es fácil de leer. Pero no tiene rigor en el lenguaje económico. Hay varias confusiones en términos tal vez por incomprensión de los conceptos.
Una buena introducción al pensamiento de los economistas mayores de la historia, por los que les interesa la económica y que ya no tienen una educación rigorosa