De openingscyclus 'In memoriam matris' gaf me de rillingen. Gedichten beginnen idyllisch, of als een doodsprentje, maar slaan dan in hun kale hardheid helemaal om. Neem bijvoorbeeld 'Het gebed' met als onderschrift 'de grootouders'. Het begint als volgt:
Drie maal per dag, naar vaste wetten, nemen zij de eigen plaats in, en gaan zich rond de tafel zetten; van haat eendrachtig: het gezin.
In veertien korte gedichten – het langste is een sonnet – weet ze niet alleen de liefdeloosdheid van haar moeder neer te zetten, maar ook de boerenwereld waarin die moeder kromgroeide, de last die het de ik bezorgde, haar donkere gedachten, en toch hoe ze ondanks alles haar dankbaar is.
de volgende drie cycli hebben ook nog hun 'Daemonen' (titel van de tweede cyclus), maar ze vindt in de slotcyclus ook steun in God. Al zijn deze gedichten met dezelfde geserreerdheid geschreven, ze voelen toch soms klein aan. Al wijzen de slotgedichten op zaken die niet altijd uitgesproken werden en geven zo weer diepgang. Een 'in memoriam patris' als pendant voor de moedercyclus herneemt de doodsthematiek. En het slotgedicht, een dankgedicht aan de liefste die altijd aan haar zijde staat, drukt je er meteen ook met de neus op dat onder elk gedicht ook een onuitgesproken donkerte meespeelt. Het licht van God is ook het licht aan het einde van een tunnel voor haar, lijkt me. Met dat beeld krijgt ook de bundel weer een grotere lading.