In deze bloemlezing zijn gedichten samengebracht van zestien Poolse dichters. In de voor Polen weinig barmhartige twintigste eeuw beleefde de Poolse dichtkunst een tijd van grote bloei en intensiteit.Twee Poolse dichters ontvingen de Nobelprijs voor literatuur: Czeslaw Milosz en Wislawa Szymborska. Maar naast hen schreven ook dichters als Zbigniew Herbert, Tadeusz Rózewicz, Ewa Lipska en Adam Zagajewski de Poolse dichtkunst naar een hoog niveau. Het laatste decennium getuigt een jonge generatie dichters op geheel eigen wijze van het belang van de poëzie voor het Poolse historische en culturele bewustzijn. Vertaler Karol Lesman maakte een keuze en schreef van iedere dichter een korte biografische schets.
Karol Lesman vertaalde sinds 1979 ruim vijftig titels, waaronder werken van Witkiewicz en Szymborska, uit het Pools – merendeels proza, maar ook poëzie – die meermaals werden bekroond.
Lesman (1951) ontving de Aleida Schotprijs 1995, de Alfred Jurzykowski Award 1997 en de prijs van de Poolse Pen Club 1999 voor vertalingen van romans van Witkiewicz en in 2009 werd de inzet, initiatief en durf die uit zijn vertaaloeuvre spreken bekroond met de Fonds voor de Letteren Vertaalprijs.
Hij publiceert regelmatig over Poolse literatuur en is lid van de redactie van het Tijdschrift voor Slavische Literatuur. In de afgelopen jaren verschenen van zijn hand Hier van Wisława Szymborska (gedichten), Schimmering van Wojciech Kuczok en Over het doppen van bonen van Wiesław Myśliwski.
Met het vertalen van De pop gaat voor Lesman een jarenlang gekoesterde droom in vervulling. Ruim tweeënhalf jaar besteedde hij aan zijn levenswerk.
Enorm consistente bundel. Vrijwel elke dichter had tenminste één gedicht dat me uit het veld sloeg. De verzameling is divers zowel stilistisch als thematisch, maar toch is er een bepaalde verbintenis. Over de brontaal kan ik natuurlijk niet oordelen, maar wat me opviel is dat de Nederlandse vertaling verrassend toegankelijk was, het was eerder de thematiek die verwarde dan het taalgebruik (en dan was de verwarring vaak een positief aspect).
Wat: Wats stijl is surreëel, komisch en prozaïsch. Interne samenhang lijkt in de wat langere gedichten een beetje te missen, met als gevolg dat elk gedicht wel een paar briljante zinnen heeft, maar als geheel niet helemaal slaagt. "Imagerie D'épinal" is hier een uitzondering, en dus ook mijn favoriet.
Swirszczynska: Ze gebruikt simpel taalgebruik en veel leegte om zo een directe en toch soms ook cryptische beelden te ontlokken. Er schuilt een vermoeidheid achter elk gedicht, maar tegelijk een hoop, zoals bijvoorbeeld in "Hij sprong niet van de derde verdieping". "Ziel en lichaam op het strand" beviel me het meest vanwege de humor en het relativisme.
Milosz: Ik had al eerder een vrij uitgebreide bloemlezing van Milosz gelezen en dat was prachtig. Ik moet dus zeggen dat ik een beetje teleurgesteld was in de selectie van enkele van deze gedichten. Niet dat ze slecht zijn, zeker niet, maar ze tonen niet de oprechtheid en twijfel die me zo raakten in zijn andere gedichten. "Bekentenis" daarentegen is een geweldige keus, een prachtige definitie van literatuur.
Hartwig: Hartwig is voor mij een beetje hit-or-miss, en dat is afhankelijk van het concept. "Een Droom", "Gewond" en "Vluchtend voor zijn verplichtingen" bleven me allemaal erg bij, maar de rest deed me weinig. Er leek ook niet echt sprake te zijn van een duidelijke eigen stijl. Soms simpel en urgent, soms afwachtend en vol verreikende verwijzingen. (Het is natuurlijk wel zo dat er 28 jaar tussen het eerste en het laatste gedicht van deze selectie zat, dus zo vreemd is dat niet).
Rozewicz: Ontwapenend, zo zou ik zijn beste gedichten willen omschrijven (als je woordgrap nog niet doorhad, Rozewicz schrijft veel over de wreedheid van oorlog, dus in die zin is zijn poëzie ook ontwapenend). Geen uitgebreide, mooie beschrijvingen, een bittere realiteit en de mens die daar middenin staat. "Thuiskomst" en "Midden in vele bezigheden" deden me afvragen waarom andere schrijvers zo graag moeilijk doen, als je met zulke simpele taal zo effectief betekenis kan overdragen.
Karpowicz: Meer bezig met taal en betekenis dan de anderen in deze bundel, iets wat ik normaliter wel waarderen kan, maar het voelde niet echt passend in deze context, en ook kon ik er moeilijk een beeld bij vormen. "Eigendom" is wel een prachtige onafhankelijkheidsverklaring.
Szymborska: Het interessante aan Szymborska vind ik haar gebruik van beeldspraak die compleet vervreemd lijkt van de werkelijkheid, maar intern volledig logisch klinkt (ook al is me niet duidelijk wat de interne logica is). Ik vond haar gedichten toch vaak moeilijk te doorgronden, en ben het meest aangetrokken tot de simpelere, zoals in deze bundel "Een onverwachte ontmoeting", "Monoloog voor Kassandra" en "Van boven gezien", verhalen met eenvoudige en eigenzinnige ideeën die je niet loslaten.
Herbert: Herbert daarentegen staat compleet in een literaire traditie, en hij houdt maar niet op met verwijzen. Ik heb me helemaal kapot gelachen om "Hermes, de hond en de ster" en "Een poging tot beschrijven", terwijl ze allebei daarnaast ook nog een diepere betekenis hadden. De rest wist me minder te charmeren.
Poswiatowska: Er zit een jeugdige treurnis in deze gedichten, die me wel aantrekt, maar verzuimt me compleet op te slokken. Ik voelde eerder de leegte om de woorden heen dan de woorden zelf, leek het soms.
Zagalewski: Zagalewski is de koning van de punchline. Het einde van elk gedicht in deze bloemlezing is prachtig, maar enige thematische verbondenheid met de rest van het gedicht is soms ver te zoeken. Vaak begint hij met het aanroepen van specifieke, mysterieuze beelden, en eindigt hij met een algemenere overdenking (of een uitroep. Van zijn pen komt de titel "Heb medelijden, tijd.") En ik houd van die overdenkingen, maar ik krijg geen idee van samenhang.
Lipska: Lipska is misschien wel mijn favoriete ontdekking uit deze bundel. Vaak kost poëzie moeite om te doorgronden, maar haar gedichten komen erg helder voor. "Vensters" is hypnotisch in zijn meditatieve herhaling, "Als God Bestaat" toont een prachtige verbeeldingskracht, en "Leer de Dood" is een cryptisch doch stellig manifest.
Wojaczek: Jeugdig, gedichten geschreven "met bloed en sperma". Een beetje melodramatisch (en ik kan een beetje melodrama wel waarderen, maar hier was het niet zo geslaagd). Mijn favoriete gedicht hier, "Schicht", is juist mooi omdat het van zijn formule afwijkt.
Maj: De beelden die Maj verbindt met zijn achterliggende waarheid (die hij expliciet uitlegt) werken heel goed naar mijn mening. Het zijn de overdenkingen van iemand die zich niet kan onttrekken aan de zwaarmoedigheid. Naar de dood wordt reikhalzend toegeleefd, maar van het eindige kan men enkel houden.
Swietlicki: Ik had niet verwacht een ware Post-Punk-artiest in een dichtbundel te vinden! Ik moet zeggen dat ik Swietliki een van de mindere bands vind uit het genre (als je het hebt over Polen, houd ik meer van Siekiera, Kult en Republika), maar toch mooi om te zien. Zijn gedichten brengen hetzelfde gevoel over als de muziek: de agressie, de lelijkheid van de wereld, het verzet. Ik vind het niet altijd even mooi, maar "Arbeidsethos" is een hoogtepunt.
Podsiadlo: Zijn gedichten, met name "Heinrich von Kleist..." zijn vol vuur, koortsachtig en waanzinnig. Hij lijkt niet te kunnen ophouden met schrijven, wat zorgt voor een spannende stijl en een paar prachtige zinnen, met veel mindere delen er tussen. Hij is zich echter wel bewust van deze jeugdige onstuimigheid, en speelt daarmee.
Foks: Foks komt soms provocerend uit de hoek, maar het is nooit louter provoceren. Ik vond de laatste zin prachtig en een goede manier om de bundel te eindigen:
"Onthoud de kalende man met snor, die gedichten schrijft in een arbeidersstad. Doen, want er moet toch iemand aan die dingen denken."
Al met al zeker een aanrader, en ik hoop dat van deze dichters ook meer vertaald is/gaat worden.
NB: Van de Plantage had ik ook Vriend/Herfst gelezen (een bloemlezing van Annenski, Blok, Chodasevitsj en Pasternak), maar die staat niet eens op Goodreads!