Niet enkel is Hongarije m’n tweede vaderland en spreek ik de taal, ook het moeten opgeven van een dochter was herkenbaar. Dus genoeg om Vindeling in één keer uit te willen lezen, maar ook om kritiek te hebben. Dat laatste valt mee hoor, Vonne van der Meer is een goede schrijfster met een geweldige verbeelding, uitmondend in mooie passages.
Dit had voor mij de laatste mogen zijn, het einde van hoofdstuk 20 (van de 22), over dochter en hervonden vader - en andersom - in het Széchenyibad dat me tientallen jaren zo dierbaar was, ook met dit beeld:
“Hij glimlachte, draaide zich op zijn rug en liet zich drijven. En zij liet haar achterhoofd op de rand van het bad rusten en keek naar dezelfde grijze hemel – de hemel boven Budapest, hun Budapest. Ze sloot haar ogen en voelde de sneeuw op haar huid. IJskoude vlokken tikten haar gezicht, lippen, oogleden aan, licht als de vingertoppen van een blinde.”
Kortom, prachtig boek, dankjewel Vonne. (En o ja, die bochel voor Jutka had van mij niet gehoeven, kwam wat geforceerd over 😉