De boktor kon alles maken. vleugels voor wie nooit gevlogen had. vinnen voor wie niet zwemmen kon. Een schepnet om de zon vanachter de wolken tevoorschijn te halen voor iemand die het steeds koud had. Altijd kwam er weer iemand aanhollen die 'Boktor! Boktor!' riep en wilde dat hij iets maakte wat hij nog nooit had gemaakt: houten schubben, tsjiplende stekels, onvoorspelbaarheid. Wel ja, dacht hij dan, zuchtte en ging aan het werk. Hij kon alles maken, maar niet dat niemand meer iets van hem wilde en hem met rust liet. Ik ben vrijwel almachtig dacht hij, maar niet helemaal.
Als kind kon ik Toon Tellegen nooit waarderen, maar bij herlezen als volwassene begrijp ik de aantrekkingskracht. Het is niet makkelijk de vinger te leggen op waarom. Het leest als een gedicht.