Selectie essays over goede poëzie. In de kern komt steeds terug dat Pfeijffer wil dat poëzie ontworteld, uit het lood slaat, een autonoom taalspel is dat naar zichzelf verwijst en je meevoert op de magische logica van taal, klank en ritme naar een chaos van beelden en emoties.
In zijn beruchte essay ‘de mythe van de verstaanbaarheid’ veegt hij de vloer aan met alle podiumdichters. Zij schrijven geen goede poëzie omdat zij vasthouden aan taalconventies, omwille van publieksbegrip. Goede poëzie is daarentegen altijd lastig, omdat je opnieuw moet leren lezen. Je moet niet zoeken naar samenhang, maar de opeenvolging van klanken en beelden tot je moet laten spreken. Het zou grappig zijn als hij zijn essay 20 jaar na dato updatet met een analyse over spokenwordartiesten.
Er komen veel ‘ja-maars’ met Pfeijffer betoog voor ‘onverstaanbare’ poëzie maar hij verdedigt zijn visie met verve. Zo stelt hij dat ingewikkeld doen nooit het doel moet zijn, noch dient er opzichtig naar iets hogers ‘achter’ de taal te worden gezocht. Het gaat vooral om het taalspel en het tonen van die beelden en emoties. Gedichten kunnen hierdoor over alles gaan. Opvallend is hoe hard Pfeijffer bekende dichters door de mangel haalt. Zo moeten Ingmar Heytze (verstaanbare dichter), Cees Nooteboom (dicht vanuit een idee, niet de taal), Harry Mulisch (verheven en pretentieus) , Drs. P. (slecht ritme) en Rutger Kopland (opgedrongen ontroering) eraan geloven. Dat zijn toch niet de minste namen.
Ruimte voor positiviteit is er ook. Zo verklaart Pfeijffer de liefde aan Lucebert en legt hij uit waarom je - zijn eigen maatstaven volgend – eigenlijk moet stellen dat een gedicht van Nijhoff of Reve tekort schiet maar het uiteindelijk tóch goed is.
Aangezien poëzie de regels ontworteld kan er ook geen handleiding voor de dichter komen, er zijn slechts beoordelingen die nooit sluitend zijn. Anders blijft de dichter toch weer aan de bloemsteel hangen. Het veld tussen enerzijds ‘de onzin’ en anderzijds geladen beelden blijft een wild landschap.