Ik vond Wil een hele goeie, maar deze valt wat tegen. Wil had een duidelijk verhaal en een soort eenheid van handeling rond één hoofdpersoon. In Winst heb je een heleboel personages. In het eerste deel is er een ik-persoon, Donald, de curator van een tentoonstelling in Berlijn, in deel twee wordt die slechts een van de velen die achtereenvolgens op de voorgrond treden en vanuit wier standpunt het verhaal verteld wordt. Hoewel verhaal, zoveel gebeurt er eigenlijk niet. Een groot deel van de tekst bestaat uit de gedachten van de personages, op een manier die je nog best als “ranten” kunt omschrijven. Dat raast in gedachten maar door over van alles en nog wat, terwijl dromen, angsten en werkelijkheid in mekaar overvloeien. De personages staan wel met mekaar in contact, maar zonder dat je echt een connectie of zelfs maar interesse voelt. Tsja Jeroen, you lost me there. Zal wel aan mij liggen. Sommige stukken tekst zijn wel juweeltjes, zoals de speech die Donald afsteekt tegen zijn mecenas Pluim over het project. Pure satire die lijkt aan te geven dat moderne kunst voornamelijk bestaat in de woordenkramerij van recensenten, curators en museumdirecteurs. Terwijl kunstenaars zelf vaak ongaarne spreken over hun werk en zijn betekenis. Althans, dat zei Julian Barnes in november 2019 tijdens de tweede Joost Zwagermanlezing in Alkmaar. Ik ga dat hier niet in extenso weergeven, maar het is de moeite om eens te lezen. Toch één klein uittreksel: Howard Hodgkin, een Britse non-figuratieve schilder en vriend van Julian Barnes, had een notoire afschuw van interviews. Tijdens een radioprogramma over kunst bij de BBC, opperde de presentator, die alle hoop op een samenhangende uitleg of zelfs maar enige toelichting van Howard had laten varen, uiteindelijk maar zijn eigen theorie over de bedoelingen van de schilder. Toen de interviewer klaar was met theoretiseren, viel er een lange, typisch Hodgkiniaanse stilte, waarna de kunstenaar hem terechtwees met de opmerking: ‘Maar dat impliceert dat ik weet wat ik doe.’