In ‘Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan’ schildert Louis Couperus ons een breed palet aan romanpersonages, allemaal familieleden van elkaar. Onder hen zijn enkele tachtigers en negentigers. Enkelen kennen een geheim, dat verbonden is aan een gebeurtenis in Indië. Zij proberen dat verborgen te houden. Niettemin spreken zij er onderling in bedekte termen over. En leden van de volgende twee generaties vangen er flarden van op. Over hoe zich dat ontwikkelt, daaromheen spint Couperus deze geschiedenis.
Onderwijl legt men veel visites af; dat is voor een deel beleefdheid, voor een ander deel betreft dat een gunstig stemmen van erftantes met het oog op een verhoopte erfenis.
“Toe, laat ons niet over geld praten. Ik ben er wee van. En geld van anderen... dat is le moindre de mes soucis. Het kan me NIETS schelen hoeveel een ander heeft. Toch... geloof ik, dat grootmama meer fortuin heeft dan wij denken.” Vervolgens gaat het alleen maar daarover, bijna een pagina lang. En dat is een refrein dat vele malen terugkeert.
Het geheim, het Ding, beheerst wel de meeste pagina’s van de roman, Couperus heeft ook een zekere levendigheid in het verloop bewerkstelligd door een veelstemmigheid van conversaties door een veelsoortigheid van karakters. In dat laatste vind ik hem op z’n sterkst. Hij laat als het ware een orkest zodanig transparant spelen dat elk van de instrumenten in zijn eigenheid tot zijn recht komt.
Zo nu en dan staat het repetitieve karakter van de gesprekken mij tegen. Ik snap dat dit dient ter versterking van het beoogde gevoel van beklemming, bij mij had dit echter veeleer het effect van Ach, daar gaan zij weer, op hun stokpaardjes, zo defaitistisch; want bij voortduring is somberheid troef. Al met al viert het impressionisme hier dus hoogtij. In de muziek ligt deze stroming mij bepaald meer. JM