De titel is een tikkeltje misleidend. Het draait in dit boek vooral om de vraag hoe je kunt voorkomen om cynisch en negatief te worden te midden van de ellende. Daarbij gaat het in eerste instantie om teleurstellingen die velen ervaren in de kerk, met christenen en met God.
Op sommige momenten zou je denken dat Byers ghostwriter voor Goedgelovig is. Hij laat op een bij vlagen hilarische manier zien waarom zoveel mensen terecht afknappen op de kerk: overtrokken idealisme, het religieuze systeem, het verheerlijken van ervaring, anti-intellectualisme en culturele irrelevantie. Heel herkenbaar. Maar net als je er lekker in zit draait hij de spiegel om en ontmaskert het cynisme dat met die kritiek meekomt. En zo genadeloos als hij de fouten van de kerk durft te benoemen, zo genadeloos is hij voor de anti-reactie. Ja, er is van alles mis met de kerk, zo betoogt Byers, maar gaan zitten kniezen, mopperen, foeteren en om je heen slaan is net zo fout. Er is altijd reden tot hoop – niet in mensen of systemen, maar in God en door God.
En dat is de kracht van Byers’ verhaal, samengevat in de ondertitel: hoopvol realistisch. Via de profeet (‘Profetische smart in plaats van cynische boosheid‘), de wijze (‘Bijbelse wijsheid in plaats van cynisch intellectualisme’), de tragische dichter (‘Eerbiedige klaagzang tegenover cynische klacht‘) en uiteindelijk de Christus zelf (‘Overgave en offer tegenover cynische afwijzing‘) laat Byers zien hoe die twee begrippen elkaar in evenwicht houden. Enerzijds: het lef om de realiteit onder ogen te zien zonder daarin te verdrinken. Anderzijds: hoop houden op een almachtige, goede God die uitkomst zal bieden, zonder daarin weg te dromen. Net als – bijvoorbeeld – David, de tragische dichter, in de psalmen doet. Wanneer en waar de verlossing komt weten we meestal niet. Maar dát het komt staat vast. Dat klinkt als een dooddoener, maar Byers schrijft met diepgang die overtuigt en inspireert.
Hoopvol realisme is niet alleen voor (in) de kerk. Het is ook een medicijn tegen de somberte op allerlei terreinen in de samenleving. Veel van de voorbeelden die Byers uit de Bijbel aanhaalt spelen zich niet in de kerk af, maar in het volle leven. Die tragische dichter David zat niet in de woestijn omdat broeders en zusters uit zijn kerkelijke gemeente het niet met hem eens waren. Nee, hij was een politieke vluchteling, achterna gezeten door een dictatoriale koning. Zo kan het voelen als je anno 2013 christen of politieke activist bent in het Midden-Oosten. Job was een man van aanzien, die opeens alles kwijt raakte wat hij had. Zo kan het voelen als je anno 2013 je baan kwijt raakt op je 55e, of je vader na een potje voetbal wordt doodgetrapt. Dezelfde redenen om God (of god, of mensen, of het systeem) de schuld te geven, verbitterd en cynisch te worden. En hetzelfde medicijn: het perspectief van hoopvol realisme, in navolging van Jezus.
De spanning die de term in zich draagt is al zo oud als de Bijbel – de spanning tussen het ‘reeds’ en ‘nog niet’. Het is mooi dat Byers die spanning niet wil wegnemen maar juist een plek geeft. Toch voert hij dat niet consequent door. In de laatste hoofdstukken beweegt hij zich in een vrij klassiek theologisch kader waarin kwaad en lijden ‘zinvol’ worden gemaakt. Hij noemt lijden zelfs een kenmerk van navolging van Christus. Daar valt genoeg tegen in te brengen. Persoonlijk denk ik dat het lijden dat het meeste tot cynisme leidt het minst zinvol te maken is, juist omdat het zo volstrekt zinloos ís. Zie het verhaal van Job, waar – zoals Byers zelf ook opmerkt – God doet niets om hem zijn lijden te verklaren. De kunst is juist om om de neiging om er iets van te willen snappen los te laten en je uit te strekken naar wat (of: wie!) er wél zinvol is en hoop geeft.