"Ik vervang de zwaarmoedigheid door de moed, de twijfel door de zekerheid, de wanhoop door de hoop, het kwaadaardige door het goede, het geweeklaag door de plicht, het scepticisme door het geloof, de sofismen door de kilte van de gemoedsrust en de hoogmoed door de bescheidenheid". Bescheidenheid, haha. Isidore Ducasse, alias Comte de Lautréamont, is een van de raadselachtige genieën van de 19e eeuw. Hij overleed toen hij 24 was, maar had toen al twee werken geschreven die tot diep in de 20e (en wie weet de 21e) eeuw avantgardistische en revolutionair georiënteerde kunststromingen zouden inspireren. Ducasse zelf had ook contacten met anarchisten. Zijn Zangen van Maldoror uit 1869, gedichten in proza over het kwaad, zijn een krankzinnig hoogtepunt van de Decadentie, twintig jaar voor de Decadentie tot haar grootste bloei kwam, en worden gezien als een tijdloos meesterwerk. Lang hebben psychiaters verkondigd dat de schrijver een waanzinnige moest zijn. Maar eigenlijk nog veel vreemder zijn zijn "Poésies I en II", waarin Ducasse nauwelijks een jaar later definitief afrekent met de romantiek en de lyriek, waarin hij de Zangen van Maldoror teniet wil doen door het nastreven van het tegenovergestelde.
Poésies I is een manifest waarin Ducasse, die nu zijn eigen naam gebruikt om duidelijk te maken dat hij gebroken heeft met Comte de Lautréamont, zegt wat hij gaat doen. "Ik wil op een gouden lier het schone verkondigen", zegt hij. In de eerste plaats wil hij de literatuur van zijn tijd vernietigen. In een brief aan een uitgever schrijft hij: "Ik bezing alleen nog maar de hoop; maar om dat te doen moet je allereerst de twijfel van deze eeuw aanpakken". Met dit woord "twijfel" vat Ducasse de fascinatie van de romantische literatuur voor het lijden en het kwaad samen, die samen gaat met de twijfel aan het bestaan van het Goede en het Ware. Zijn plan van aanpak is om de geschriften van de groten der literatuur te "verbeteren". Hij kondigt aan: "(...) Ik neem de mooiste poëzie van Lamartine, Victor Hugo, Alfred de Musset Byron en Baudelaire onderhanden en verbeter deze in de richting van de hoop; ik geef aan hoe men het had moeten doen."
In Poésies I geeft Ducasse al wat voorbeelden en concludeert aan het eind: "Al het water van de zee zou niet toereikend zijn om een intellectuele bloedvlek uit te wissen." In Poésies II gaat hij echt aan de slag. Het levert een bizarre verzameling aforismen op als: "Het plagiaat is noodzakelijk. Het behoort tot de vooruitgang. Het zit het woord van de schrijver op de hielen, bedient zich van zijn uitdrukkingen, elimineert een verkeerd idee en vervangt dat door het juiste." Ducasse bedoelt met plagiaat niet letterlijk overnemen, maar vooral het overnemen in een andere context, of met verandering van klein detail waardoor de betekenis omdraait of verwrongen wordt. Het zinnetje beschrijft wat Ducasse zelf aan het doen is in deze gedichten en kan als programmatisch beschouwd worden voor veel kunst die 50 tot 100 jaar later geboren werd: avantgardistische kunststromen als het dadaïsme, het surrealisme, het lett(e)risme en situationisme, de ready-mades van Barbarber, de pop-art, het postmodernisme. Niet alleen dankzij de Zangen, maar ook dankzij dit bundeltje prozagedichten werd Ducasse expliciet vereerd door de surrealisten en genoemde situationisten. Zijn pleidooi voor het goede is vervreemdend, omdat ze is gebaseerd op verdraaiing van bestaande teksten."Ik accepteer het kwaad niet. De mens is volmaakt. De ziel valt niet. De vooruitgang bestaat. Het goede is herleidbaar. De antichristen, de aanklagende engelen, het eeuwige leed, de godsdiensten zijn producten van de twijfel."
In veel teksten verdraait hij quotes van Pascal en Vauvenargues. Soms verdraait hij eerdere teksten van zichzelf. Is hij cynisch of meent hij zijn pleidooi? Het procédé van de verdraaiing lijkt soms belangrijker te zijn dan de boodschap. Als je de opsomming van stellingen leest, is hij soms nauwelijks te volgen. Probleem voor de lezer is dat hij vaak de teksten niet kent waar Ducasse naar verwijst, dus het is fijn dat achter in de vertaling van René Sanders een aantal van de "originelen" wordt vermeld; eigenlijk zou je een compleet geannoteerde versie moeten hebben.
Isidore Ducasse verheft de moralisten boven de dichters, maar heeft het eigenlijk toch vooral over literatuur. In de nieuwe tijd is de poëzie zelf niet meer van belang, zegt Ducasse, alleen nog de kritiek van de poëzie, die is eeuwig en tijdloos. "De oordelen over poëzie zijn meer waard dan de poëzie." En: "De poëzie moet door allen worden gemaakt. Niet door één." (Waarmee Ducasse vooruitloopt op het 'cadavre exquis'). Eigenlijk betreedt Ducasse hier een literair terrein waarin authenticiteit of "iets menen" een onbruikbaar begrip wordt.
De extravagante gedachtensprongen en beelden van de Zangen zijn er in de Poésies soms nog: "Telkens als ik Shakespeare las, leek het net of ik de hersenen van een jaguar aan het verscheuren was". Of: "Weest op jullie hoede voor het hellend vlak. Roeit het kwaad bij de wortel uit. Geeft jullie niet over aan de verleidelijke cultus van de bijvoeglijke naamwoorden, zoals onbeschrijflijk, ongelooflijk, schitterend, onvergelijkbaar, kolossaal, die schaamteloos de zelfstandige naamwoorden, die ze verminken, voorliegen: de wellust zit hen op de hielen."
Het was André Breton die in 1919 de twee boekjes "Poésies" herontdekte in de Franse Nationale Bibliotheek. Een paar jaar later schreef hij het manifest van het surrealisme. Decennia lang waren het de enige twee bekende exemplaren ter wereld. Overigens hebben de situationisten in de jaren '50 laten zien dat Ducasse als de Comte de Lautréamont al in de Zangen van Maldoror de verdraaiing veelvuldig toepaste, en wel op de natuurlijke historie van De Buffon, om extravagante metaforen te scheppen.
Ik vind het spel van Isidore Ducasse met de moraal en de poëzie fascinerend en heb het gevoel dat wat Ducasse in de poëzie in gang heeft gezet, nog lang niet is uitgewerkt. In het bijzonder zie ik in Maarten van der Graaffs laatste bundel "Nederland in stukken" nog een duidelijke 21e-eeuwse echo van wat Ducasse doet in Poésies.
Het boekje is fraai vertaald en uitgegeven door KelderUitgeverij in Utrecht, maar ik hoop nog eens een geannoteerde versie lezen waarin de herkomst van alle verdraaiingen is achterhaald.